 |
A.F. Aalbers
|
| |
 |
Jos. Bedaux
|
| |
 |
| A. Bodon |
| |
 |
| A.J.N. Boosten |
| |
 |
| Theo Bosch |
| |
 |
| G.C. Bremer |
| |
 |
| Michiel Brinkman |
| |
 |
| S. de Clercq |
| A. Broese van Groenou |
| |
 |
| G.F. la Croix |
| |
 |
| M.F. Duintjer |
| |
 |
A. Eibink J.A.Snellebrand |
| |
 |
| Harry Elte Phzn. |
| |
 |
| J.C. van Epen |
| |
 |
| Henri Evers |
| |
 |
| Ida Falkenberg-Liefrinck |
| |
 |
| K. van der Gaast |
| |
 |
A.L. van Gendt J.G. van Gendt A.D.N. van Gendt |
| |
 |
| J.M. Groenewegen |
| |
 |
Z.D.J.W. Gulden M. Geldmaker |
| |
 |
Enrico Hartsuyker Luzia Hartsuyker-Curjel |
| |
 |
| George Willem van Heukelom |
| |
 |
| M.P.J.H. Klijnen |
| |
 |
| H. Knijtijzer |
| |
 |
E.H. Kraaijvanger H.M. Kraaijvanger |
| |
 |
| A.J. Kropholler |
| |
 |
L. van der Laan J.A. van der Laan |
| |
 |
| J.H. Leliman |
| |
 |
| J.H.W. Leliman |
| |
 |
| Paul de Ley |
| |
 |
| Liem Bwan Tjie |
| |
 |
| H. Maclaine Pont |
| |
 |
J.F. Metzelaar W.C. Metzelaar |
| |
 |
| K.J. Muller |
| |
 |
| A.C. Nicolaï |
| |
 |
| Cora Nicolaï-Chaillet |
| |
 |
J.J. van Nieukerken M.A. van Nieukerken J. van Nieukerken |
| |
 |
| J. Otten Husly |
| |
 |
| J.E. van der Pek |
|
 |
| S. van Ravesteyn |
| |
 |
| L.P. Roodbaard |
| |
 |
| Th.W. Rueter |
| |
 |
| Hein Salomonson |
| |
| |
 |
| Ad van der Steur |
| |
 |
Hendrik Willem Valk |
| |
 |
| J. Verheul Dzn. |
| |
 |
| F.A. Warners |
| |
 |
| J.D. Zocher |
| |
 |
Tjeerd Boersma (Speciale uitgave)
|
| |
|
|
|
BONAS geeft een monografische boekenreeks uit.
Ieder deel omvat een zo compleet mogelijke en rijk geïllustreerde oeuvrebeschrijving
en een bibliografie, voorafgegaan door een essay waarin de architect geïntroduceerd wordt.
De boeken zijn verkrijgbaar onder meer bij de NAi-boekwinkel
en bij verschillende gespecialiseerde boekhandels in het gehele land.
U kunt de boeken ook rechtstreeks bij BONAS
bestellen.
Met een
abonnement op de reeks krijgt U de boeken portvrij thuisgestuurd.
Een groot aantal architectenbureaus heeft een
steunabonnement;
zij betalen een extra bedrag om het werk van BONAS in stand te houden. Van uitverkochte boeken is het mogelijk een zogenaamd werkdocument in pdf formaat te bestellen. Dit kan ook van iedere architect waarover voldoende gegevens in het databestand zijn opgenomen.
|
| |
| |
| Dorothee
C. Segaar-Höweler
Tjeerd Boersma
A.F. Aalbers (1897-1961).
Ondogmatisch modernist in een koloniale samenleving
Afkomstig uit familiebezit, kwamen recent ontwerptekeningen
van een tiental gebouwen van de vergeten architect Albert
Frederik Aalbers (1897-1961) in de openbaarheid. Ze dateren
uit de periode 1942-1945, toen Aalbers geïnterneerd
was in het door de Japanners bezette Nederlands-Indië.
Aalbers' archief is verloren gegaan; de `kampontwerpen'
vormen een laatste restant. Ze tonen het werk van een
bijzonder architect: hij was de man die niet zijn moderne
en elegante villa's, hotels, theaters en kantoorgebouwen
de stad Bandung in de jaren dertig een eigentijdse uitstraling
wist te geven.
Aalbers was een ondogmatisch modernist. Als inventief
technicus zocht hij onorthodoxe oplossingen voor bouwtechnische
problemen en experimenteerde hij al vroeg niet systeembouw.
Ook wat betreft ruimtelijke opzet zijn Aalbers' ontwerpen
uiterst modern. Zijn vormentaal is daarbij echter zeer
gevarieerd; hij wist zich uit te drukken in de meeste
van de nieuwe architectuurstijlen uit de eerste helft
van de twintigste eeuw.
De kampontwerpen illustreren Aalbers' veelzijdigheid.
Enkele villa's zijn in Indonesische stijl ontworpen, destijds
een actueel discussiepunt onder de Nederlandse architecten
in Indië, een dansinstituut toont een expressionistische
stijl, terwijl enkele woonhuizen en een filmstudio met
glazen gevels en platte daken met grote overstekken een
elegant modernisme uitstralen en een ander woonhuis met
een decoratief spel van horizontale en verticale elementen
weer invloeden van Frank Lloyd Wright laat zien.
Vanwege de economische wereldcrisis was Aalbers in 1928
naar Indië gegaan, waar hij zich in Bandung vestigde.
Bandung zou de nieuwe regeringszetel van de Indische archipel
worden en was gedurende het interbellum een 'booming city',
waar zich vele overheidsdiensten, grote en middenstandsbedrijven
en nieuwe bewoners vestigden. Velen investeerden in de
groei van de stad en voor een architect waren er veel
opdrachten te verwerven.
Met de Denis Bank uit 1936 verwierf Aalkers veel aanzien.
Dit expressieve gebouw met zijn bandvensters, gedeeltelijk
schuilgaand achter brede betonbanden in de gevel, die
het invallende licht temperen, en met vleugels die een
stadsplein vormen, drukt een opvallend stempel op het
centrum van de stad. Tussen 1936 en 1942 verwierf hij
een groot aantal opdrachten voor hotels, waarvan Savoy
Homann de bekendste is, bioscopen en villa's, allemaal
in en om Bandung. Aalbers' bureau groeide uit tot het
meest vooraanstaande in de stad: hij werd uitverkoren
om het nieuwe landhuis voor de GouverneurGeneraal te ontwerpen.
De tweede wereldoorlog maakte een einde aan zijn succes
als ontwerper. Na zijn interneringstijd repatrieerde hij.
In liet naoorlogse Nederland was hij echter een onbekende
en hij vond buiten de kring van oud-Indiëgangers
nauwelijks opdrachtgevers. Een klein badhotel in Oostvoorne
uit 1954, met zijn bijzondere vorm, zijn strakke open
gevels en uitgekiende plattegronden een modern juweeltje,
laat zien dat Aalbers na de oorlog als ontwerper niet
aan zeggingskracht kracht had ingeboet. Zijn gezondheid
was echter in het kamp gebroken. Nadat hij al enkele jaren
niet meer had kunnen werken overleed hij 1961, op slechts
63-jarige leeftijd, vergeten en gedesillusioneerd.
104 pagina’s
2000
prijs: Euro 12,66
ISBN 90 76643 05 19
|
| |
| Christel Leenen
m.m.v. Evelien van Es
Jos Bedaux (1910-1989).
Architect
Zoals wel meer Nederlandse architecten kwam Jos. Bedaux (1919-1989) via het aannemersbedrijf van zijn vader in het vak terecht. Ook zonder formele opleiding werd hij in Noord-Brabant al snel een gezien architect die vanuit een traditionele vormentaal een eigen modern idioom ontwikkelde, blijvend gegrondvest op ambachtelijke degelijkheid. Binnen de ruimtelijke compositie van zijn werk heeft Bedaux veel aandacht voor beschutting, tot uiting komend in de toepassing van patio's en binnenhoven, bij particuliere woonhuizen, maar ook bij openbare gebouwen. In de directe nabijheid van zijn eigen huis in Goirle uit 1937 liggen diverse door hem ontworpen landhuizen en scholen die van die zorgvuldige enscenering blijk geven.
Na de Tweede Wereldoorlog werden zijn opdrachten gaandeweg groter van omvang. Hij bouwde onder meer woningbouwprojecten in Sluis en Bergen op Zoom (1946-1948), de Onze Lieve Vrouw van Fatimakerk in Tilburg (1948) en een openluchtschool in Goirle (1952-1958) Zijn belangrijkste werk vormen de gebouwen voor de Katholieke Economische Hogeschool in Tilburg die hij samen met architect J. van der Laan tussen 1952-1960 realiseerde.
Dit boek is mede tot stand gekomen dankzij bijdragen van de provincie Noord-Brabant en het Prins Bernard Cultuurfonds Noord-Brabant.
259 pagina’s
2010
prijs: Euro 32,00
ISBN/EAN: 978-90-76443-38-0
|
| |
| Tonny
Claassen
A. Bodon (1906-1993). Lichtheid
en transparantie - architectuur als dienend ambacht
Het beste werk van Alexander Bodon (1903-1993) kenmerkt
zich door lichtheid en transparantie. Naar Bodons overtuiging
had de architect een dienend ambacht, mochten gebouwen
zich niet op de voorgrond dringen en dienden ze gespeend
te blijven van modieuze toevoegingen. Bodon, van Hongaarse
afkomst, volgde in Budapest een opleiding als interieurarchitect,
maar voelde zich na een stage in Nederland, op het bureau
van Jan Wils, niet meer thuis in het in zijn ogen conservatieve
Hongaarse architectuurklimaat. In Nederland was hij onder
de indruk geraakt van het Nieuwe Bouwen.
In 1929 keerde hij naar Nederland terug om zich hier definitief
te vestigen. Drie jaar later verwierf hij grote bekendheid
met zijn verbouwing van de smalle en diepe Amsterdamse
boekhandel Schröder en Dupont, waar een vide, smalle
galerijen langs de boekenwanden en ranke staalconstructies
een maximum aan licht en ruimte overlieten. Bodon ontwierp
talloze meubels, interieurs, stands voor tentoonstellingen
en beurzen en ook tentoonstellingen als geheel.
Gaandeweg verschoof zijn ontwerp-praktijk zich in de richting
van de architectuur. In de periode van de wederopbouw
ontwierp hij verschillende woningbouwcomplexen. Hij had
echter moeite met de krappe budgetten, die hem aIs architect
vaak weinig ruimte gaven. Nadat architect A. van der Steur
hem op zijn sterfdeel voor de uitbreiding van het museum
Boymans-Van Beuningen als opvolger had aangewezen, kreeg
Bodon op diens oude bureau gelegenheid zijn passie voor
technische vernieuwing tot uiting te brengen, onder andere
in de enorme overspanning van de Europahal van het Amsterdamse
RAI-complex.
160 pagina’s
2001
prijs: Euro 15,66
ISBN 90-76643-06-7
|
| |
| Lidwien Schiphorst
A.J.N. Boosten (1893-1951). Expressief vernieuwer van het katholieke bouwen
De Limburgse architect Alphons Boosten behoorde tot de groep van jonge katholieke kunstenaars rondom het blad Roeping, die begin jaren twintig naar vernieuwing streefden. Boosten bepleitte het recht van de architect om de nieuwe mogelijkheden van beton en ijzer als uitgangspunt voor een nieuwe stijl te nemen. Een bijzonder voorbeeld hiervan is de Maastrichtse Koepelkerk uit 1920. Vanwege de beperkte omvang van het bouwterrein en naar de wens van de opdrachtegever werd voor centraalbouw gekozen; de wanden werden gevormd door drie gigantische taps toelopende betonnen pijlers als dragers van de koepelconstructie.
In totaal ontwierp Boosten vijfentwintig kerken, waarvan er meer dan twintig werden uitgevoerd. De vormgeving varieert met de functie, van het paraboolgewelf van een dorpskerk voor Eygelshoven tot de vijfbeukige stadskathedraal, gedragen door slanke betonpijlers, te Horst. Al Boostens kerken worden gekenmerkt door de speelse groepering van de belangrijkste delen en de expressieve vormen daarvan.
Boosten groeide op in het gezin van de Maastrichtse drukker-uitgever J.H. Boosten. Tijdens lessen op het Stadsteekeninstituut leerde hij het werk van jonge beeldend kunstenaars als de schilder en glazenier Henri Jonas, de schilder Charles Eyck en de beeldhouwer Charles Vos kennen, met wie hij later veelvuldig zou samenwerken. Naderhand kreeg hij les aan de Haagse Academie en volgde hij enige tijd de cursus Voortgezette Hogere Bouwkunst te Amsterdam. Alvorens terug te keren naar Limburg werkte hij bij Jos.Th.J. Cuypers en Pierre Cuypers jr. te Amsterdam en H.P. Berlage in Den Haag.
Naast kerken ontwierp Boosten een groot aantal andere gebouwen van katholieke signatuur, met name kloosters, vaak in combinatie met scholen, internaten, dan wel zorginstellingen, zoals het klooster en bejaardenzorgcomplex St. Jozefgesticht in Gulpen met zijn opvallende kapel, thans als gemeentehuis in gebruik. In Boostens woonhuizen en villa’s met hun daken met ruime overstekken, de speelse horizontale belijning, de opvallende erkers en de geprofileerde ingangspartijen, ziet men invloeden van Berlage en de Nieuwe Haagse School en internationaal gezien van Frank Lloyd Wright en Engelse landhuisarchitecten als Lutyens en Voysey.
300 pagina’s
2006
prijs: Euro 25,50
ISBN-10: 90-76643-26-1 ISBN-13: 978-90-76643-26-7
|
| |
| Marcel Theunissen
Theo Bosch (1940-1994). Knokken voor de stad.
Theo Bosch (1940-1994) was een van de belangrijkste vernieuwers van de naoorlogse Nederlandse volkshuisvesting. In een periode waarin herwaardering ontstond voor de bestaande stad, verrichte hij pionierswerk in de (Amsterdamse) stadsvernieuwing, door samenwerking met bewoners en zich niet af te laten troeven door het bureaucratisch apparaat van overheidsregels. Daarbij wist hij het stedenbouwkundig en architectonisch ontwerp te integreren. Het ‘bouwen voor de buurt’ kreeg invulling via een fijnmazige vervlechting van stedelijke functies, van openbare en privé-ruimtes, met architectuur van een menselijke maat en schaal. Daarmee kreeg de binnen Team X en Forum geformuleerde nieuwe stedelijkheid een concrete invulling.
Ook in de periode als zelfstandig architect wist hij complexe stedelijke ontwerpopgaven op te lossen door aan te sluiten op het stedelijk weefsel. In de architectonische uitwerking waren licht en ruimte sleutelbegrippen. Bosch bedacht voor iedere situatie de meest geschikte oplossing, door te variëren op bestaande en door hem geïntroduceerde verkavelingstypologieën. Het menselijk welzijn in de door hem ontworpen gebouwen stond daarbij primair.
Zijn visie op de stad, zijn bereidheid ervoor te knokken en zijn overtuiging dat het stedenbouwkundig en architectonisch ontwerp onlosmakelijk verbonden zijn heeft hij breed kunnen uitdragen als voorzitter van de Haagse Welstandscomissie. Met zijn fundamentele benadering wist hij ieder voorgelegd plan messcherp te analyseren. Daarbij profileerde hij zich zoals hij als ontwerper bekend stond: bevlogen, idealistisch maar nuchter, als een vakman met zicht op essenties.
406 pagina’s (3 delen in cassette)
2006
prijs: Euro 39,90
ISBN 90-76643-25-3
|
| |
|
drs. Rosa Visser-Zaccagnini
G.C. Bremer (1880-1949). Rijksbouwmeester.
Architect Gustav Cornelis Bremer (1880-1949) heeft in de Nederlandse architectuurgeschiedenis een belangrijke rol gespeeld, niet alleen als rijksarchitect, maar dankzij zijn invloedrijke positie ook als politiek persoon. Als adjunct, en later in de functie van Rijksbouwmeester, gaf hij status aan rijksgebouwen, die werden gekenmerkt door monumentaliteit, allure en degelijkheid. Door de verhoudingen, de indeling van de gevels, het toepassen van bijzondere bouwmaterialen zoals verschillende soorten baksteen en natuursteen, het gebruik van vereenvoudigde klassieke elementen en de aandacht voor details, harmoniëren zijn gebouwen met de bestaande omgeving. De gebouwen zijn massief van vorm, maar dankzij de eenvoud en het evenwicht tussen de verschillende bouwkundige elementen en de aandacht voor details niet zwaar. Bremer gaf bijzondere aandacht aan de functionaliteit en de interne circulatie van de gebouwen. Zij waren duidelijk voor de gebruikers ontworpen.
De rijksbouwmeester was in staat om zijn medewerkers en kunstenaars van verschillende disciplines te inspireren tot samenwerking voor een gemeenschappelijk doel. Bremer werkte onder anderen samen met R.N. Roland Holst en hij schreef over diens werk dat het 'een dienende kunst' was, waarbij kracht werd geput uit 'de beperking van hare vrijheid'. Dergelijke woorden zou men ook over Bremer zelf kunnen schrijven. Zijn werk als Rijksbouwmeester was dienend en de beperkingen in zijn creatieve vrijheid waren groot. Hij moest bij elk ontwerp worstelen met de eisen van de diverse gebruikers en hij was tevens gebonden aan extreme financiële limieten, in het begin ingegeven door de strenge bezuinigingen van de chef van de afdeling Gebouwen van het Ministerie van Financiën, J.C.E. baron van Lynden, later door de algemene financiële malaise in de jaren dertig en ten slotte vanwege de Tweede Wereldoorlog. Desondanks lijkt het erop dat Bremer deze omstandigheden meer als een uitdaging zag dan dat hij deze als een belemmering beschouwde. Zijn tomeloze inzet en productiviteit zijn hiervoor het belangrijkste bewijs.
224 pagina’s
2007
prijs: Euro 20,00
ISBN/EAN 978-90-76643-30-4
|
| |
|
Jean Paul Baeten
Karin Schomaker
Cindy Curré
Dorothée Segaar
Michiel Brinkman (1873-1925)
De Rotterdamse architect M. Brinkman (1873-1925) is vooral
bekend geworden om zijn galerijwoningencomplex in Spangen
en daarnaast als grondlegger van liet Rotterdamse architectenbureau,
dat met opvolgers als J.A. Brinkman, L.C. van der Vlugt,
J.H. van de den Broek en J.B. Bakema nationale en internationale
bekendheid verwierf.
Door velen wordt Brinkman gezien als een interessante
tussenfiguur, in wiens werk de eerste opmaten van het
Nieuwe Bouwen van zijn opvolgers aarzelend zichtbaar worden.
Het oeuvre van Brinkman, dat relatief onbekend is gebleven,
omvat echter meer belangwekkende aspecten.
Behalve het al genoemde galerijwoningencomplex bouwde
Brinkman onder meer fabrieken, kantoren, woningcomplexen
en villa's, vooral in Rotterdam. Ze laten zien hoe Brinkman,
die een klassieke opleiding volgde en over grote technische
vaardigheid beschikte, in de autonome kracht van de architectonische
vorm een remedie trachtte te vinden voor de dreigende
chaos van een onstuimig groeiende haven- en industriestad
van kort na de eeuwwisseling.
64 pagina’s
1996
uitverkocht (verkrijgbaar als werkdocument)
ISBN 90-802401-1-7
|
| |
| Michiel Roding
S. de Clercq (1876-1962) A. Broese van Groenou (1880-1961). Smaakvol, kloek en bescheiden.
De architecten Adolf (‘Dolf’) Broese van Groenou en Samuel (‘Sam’) de Clercq die hier in een boek zijn verenigd, zijn nooit als geassocieerd architectenbureau opgetreden. Wel hebben zij bij diverse projecten samengewerkt. Beide architecten spelen in de hedendaagse Nederlandse architectuurgeschiedenis een bescheiden rol. Op het hoogtepunt van hun carrière, in het interbellum, stonden zij in aanzien, wat onder meer blijkt uit publicaties en de talrijke bestuursfuncties die zij hebben bekleed. Dat echter ook heden ten dage de kwaliteit van hun bouwwerken weer wordt erkend, blijkt uit het feit dat een groot deel van de bewaard gebleven gebouwen inmiddels het predikaat van rijks- of gemeentemonument heeft gekregen. De over het algemeen zeer gefortuneerde opdrachtgevers hebben kloeke bouwwerken mogelijk gemaakt, waarbij de architecten er echter voor hebben gewaakt om in het buitenissige of het overdadige te vervallen. In dit opzicht waren zij bescheiden. Vooral de gebouwen van De Clercq zijn in de regel in een strenge stijl gebouwd die op H.P. Berlage terug te voeren valt. Broese van Groenou is in zijn vroege werk iets speelser, hij legt een voorkeur voor de Engelse landhuisstijl aan de dag. Na de Eerste Wereldoorlog nemen zij stijlelementen van de Amsterdamse School over, waarmee hun werk tot de Nieuwe Haagse School gerekend kan worden. Zij bouwen overigens niet uitsluitend in Den Haag en omgeving maar ook op de Veluwe en voor de ‘textielbaronnen’ in het oosten van het land. Beiden ontwerpen hoofdzakelijk villa´s, arbeiderswoningen en verder enkele bank- of kantoorgebouwen. Vooral De Clercq heeft zich mede op het terrein van de interieur- en de meubelkunst bewogen. Van laatstgenoemde zijn vooral de charitatieve woningbouwcomplexen in Wassenaar uniek te noemen. Broese van Groenou heeft niet alleen met zijn villa’s, maar ook met gebouwen als de Parkflat Zorgvliet en het kantoorgebouw Cultura, Den Haag met markante bouwwerken verrijkt. Voor het eerst wordt met dit boek beider oeuvre gepubliceerd, waarbij de talrijke foto’s en plattegronden een goed beeld geven van hun belangrijkste creaties.
220 pagina’s
2005
prijs: Euro 18,95
ISBN 90-76643-00-8
|
| |
| Radboud van Beekum
G.F. la Croix (1877-1923). Amsterdamse School architect.
Guillaume Frédéric la Croix geboren in Amsterdam als zoon van een timmerman, was vanaf medio 1900 acht jaar als tekenaar en opzichter verbonden aan het bureau van Ed. Cuypers, in dezelfde tijd dat daar ook J.M. van der Mey, M. de Klerk en P.L. Kramer werkzaam waren. Binnen dit bureau werd de kiem gelegd voor de expressieve architectuur die later Amsterdamse School zou gaan heten.
In 1915 begon La Croix een zelfstandige praktijk. Tot zijn bekendste uitgevoerde werken behoren de dubbele villa in Park Meerwijk in Bergen (1918), een woningblok aan de Bellamystraat, het voormalig Scheepvaartmuseum en een woningblok aan de Cornelis Schuytstraat, alle in Amsterdam (1918), en het kantoor voor rederij Koppe achter het Centraal Station in Amsterdam (1919).
La Croix werkte in een decoratieve stijl die minder plastisch was dan die van andere architecten van de Amsterdamse School. De kunsthistorische aandacht heeft zich lang vooral gericht op de meer ruimtelijke architectuur als van De Klerk en Kramer. De vlakkere, decoratieve vormgeving van La Croix was minder spectaculair, en trok minder belangstelling. Na verwerving van archiefstukken uit de nalatenschap van La Croix door het Nederlands Architectuurinstituut, heeft nieuw onderzoek naar zijn werk, dat in deze uitgave is verwerkt, de eigen plaats van La Croix binnen de toenmalige expressionistische architectuur bevestigd.
Dit boek is mede tot stand gekomen dankzij een financiële bijdrage van het Stimuleringsfonds voor Architectuur.
112 pagina’s
2008
prijs: Euro 23,-
ISBN/EAN 978-90-76643-33-5
|
| |
| Marylse van Bijleveld, Tonny Claassen m.m.v. Cindy Curré
M.F. Duintjer (1908-1983). Strak, helder, open - architectuur als drager van een nieuwe samenleving.
Marius Frans Duintjer is vooral bekend gebleven als architect van enkele omstreden Amsterdamse bankgebouwen, de Nederlandsche Bank aan het Frederiksplein en de voormalige ABN-bank aan de Vijzelstraat, gebouwen die vooral gezien werden als manifestatie van ongewenste cityvorming. Daarmee wordt echter geen recht gedaan aan de bijzondere kwaliteit van zijn omvangrijke oevre. In de jaren '50 en '60 werd hij als een van de belangrijkste Nederlandse architecten gezien, die ook internationaal groot aanzien genoot. Zijn ontwerp voor het nieuwe Schiphol uit de jaren '60, tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de interieurarchitect Kho Lliang Ie, maakte Schiphol in de internationale vakpers tot de 'aantrekkelijkste luchthaven van Europa'.
Duintjer volgde een opleiding als architect aan de ETH in Zürich en werkte daarna twee jaar in Frankrijk bij Le Corbusier. Na terugkeer in Nederland deed hij samen met Auke Komter mee aan de Amsterdamse stadhuisprijsvraag; hun inzending werd als enig functionalistisch ontwerp voor nadere uitwerking geselecteerd. In de jaren '50 ontwikkelde Duintjer een gematigd modernistische esthetiek, die zich kenmerkt door daken met grote overstekken met de draagconstructie in het zicht, dito uitstekende verdiepingsvloeren, veel glas, vaak over de gehele verdiepingshoogte, en formele accenten op belangrijke punten, vaak in de vorm van rasters met grote aantallen vensters.
Een bijzonder onderdeel van Duintjers oeuvre vormen een aantal kerken, waaronder de Kruiskerk in Amstelveen en de Opstandingskerk ('de kolenkit') in Amsterdam met hun even expressieve als eigentijdse vorm. Hier experimenteerde Duintjer voor het eerst met het 'perforeren' van de gevels met vensters, waarmee een bijzondere lichtinval werd bereikt. In zijn andere werk zou hij hierop voortborduren, zoals in de rastervormige glaspuien van het Christelijk Lyceum Buitenveldert met een opvallende licht- en schaduwwerking.
Tijdens Duintjers carrière maakte de ziekenzorg een enorme ontwikkeling door. Er was behoefte aan een nieuw type ziekenhuis, grootschalig en efficiënt. Duintjer raakte hierin gespecialiseerd. Een van zijn laatste grote opdrachten was tevens de meest complexe die hij ooit kreeg, het Amsterdamse Academisch Medisch Centrum en die hij uitwerkte als betonnen draagstructuur, ingevuld met standaardmodules, die relatief eenvoudig vervangen zouden kunnen worden. Door de enorme omvang heeft het een besloten en stadspleinachtig karakter gekregen, gedragen door de krachtige esthetiek van de door uitkragingen geaccentueerde kolommen en vloerenstructuur.
200 pagina’s
2007
prijs: Euro 17,75
ISBN/EAN 978-90-76643-28-1
|
| |
| Arjan
van de Pijpekamp
m.m.v. Bregit Jansen
A. Eibink (1893-1975). J.A. Snellebrand
(1891-1963). De lange weg van de Amsterdamse School tot
Forum
De architecten Adolph Eibink (1893-1975) en Jan Antonie
Snellebrand (1891-1963) werkten van 1916 tot 1949 met
elkaar samen, waarna zij hun wederzijdse carrières
ieder apart voortzetten, Eibink als zelfstandig architect
en Snellebrand vooral als docent en vervolgens directeur
aan de Academie van Bouwkunst. Met hun eerste gezamenlijke
ontwerp uit 1916, van een zeer expressieve kerk in Amsterdamse
School-stijl voor het dorp Elshout, zouden ze internationale
bekendheid verwerven. De kerk, die nooit werd uitgevoerd,
is in veel overzichtsliteratuur te vinden als voorbeeld
van de architectuur van de Amsterdamse School en het internationale
expressionisme.
Het wonderlijke van hun samenwerking is dat Eibink en
Snellebrand, die elkaar op de opleidingsschool Quellinus
hadden leren kennen, nogal uiteenlopende persoonlijkheden
waren, terwijl ze ook in ontwerp-aanpak nogal verschilden.
Iets hiervan is reeds te zien in hun uitgevoerde VARA
studio in Hilversum, die van na hun Amsterdamse School-periode
dateert en die een eigenzinnige mix van zakelijke en formele
kenmerken laat zien. Ondanks dat zouden ze meer dan dertig
jaar samenwerken en woonden ze een deel van die periode
zelfs naast elkaar.
In hun gezamenlijke projecten was tussen de wereldoorlogen
een geleidelijke overgang te zien naar een strakke geometrische
stijl met traditionele en moderne elementen. Dit is onder
weer te zien in de scholen die ze in Heerlen en Hoensbroek
bouwden. Een ander opmerkelijk project was hun uitbreiding
van het zwembad aan de Heiligeweg in Amsterdam, dat net
als de kerk voor Elshout een bijzondere integratie van
constructietechniek en expressiviteit liet zien door de
toepassing van een vakwerkligger met boogspant als overspanning.
Met name Eibink was geïnteresseerd in de mogelijkheden
van nieuwe technieken ten behoeve van een nieuwe esthetiek;
hij publiceerde ook over dat onderwerp.
Na de Tweede Wereldoorlog ging Eibink voort op de weg
die hij al voor Elshout was ingeslagen: enkele kerken,
een tweetal fabrieken voor Verkade en enkele hoogbouwblokken
in Amsterdam tonen een eigentijdse integratie van constructie,
organisatie en expressie. Snellebrand zette zich in voor
vernieuwing van het architectuuronderwijs, maar verloor
nooit de band met de actuele ontwerppraktijk. Zo werkte
hij samen met de jonge Piet Blom. Snellebrands Willem
Dreeshuis in Amsterdam, in het midden van de jaren vijftig
ontworpen, was niet alleen een voorbeeld van een radicale
vernieuwing in het denken over bejaardenhuisvesting, maar
laat ook een nieuwe architectuur zien, waarin de ideeën
van Team X en de Forumgroep reeds doorklinken.
172 pagina’s
2003
prijs: Euro 18,00
ISBN 90-76643-16-4
|
| |
|
L. van Grieken
P.D. Meijer
A. Ringer
Harry Elte Phzn. (1880-1944).
Architect van de Joodse gemeenschap tijdens het interbellum
Harry Elte Phzn. (1880-1944) is vooral bekend als architect van de
synagoge aan het Jacob Obrechtplein in Amsterdam.
Dit monumentale gebouw uit 1927-’28, met zijn zorgvuldig vormgegeven en
kleurrijke interieur, vormt een hoogtepunt in het oeuvre van de architect.
De ’Obrechtsjoel’, sterk beïnvloed door de stijl van Frank Lloyd Wright,
is één van de belangrijkste Nederlandse synagogen uit het interbellum.
Gedurende deze hele periode speelde Elte een belangrijke rol bij de
totstandkoming van gebouwen met een joods-rituele functie in Amsterdam.
Hij bouwde en verbouwde nog vele synagogen - o.a. die aan de Nieuwe Molstraat en
Den Haag en aan de Springweg in Utrecht waren van zijn hand - en werkte ook op
joodse begraafplaatsen in Diemen en Muiderberg.
Nederland maakte na de Eerste Wereldoorlog een periode van relatieve welvaart door,
waar het joodse volksdeel van meeprofiteerde. Velen verlieten hun
huis in de oude Jodenbuurten en vestigden zich in nieuwe stadsdelen.
De talentvolle Elte wist in te spelen op de vraag naar nieuwe gebouwen
met een religieuze functie en naar woonhuizen in deze stadsdelen.
Hij werkte voor particuliere opdrachtgevers, maar trad ook als
projectontwikkelaar op. Zo bouwde hij verschillende villa’s in Amsterdam-Zuid,
zomerhuizen in Blaricum en Huizen en een wooncomplex in Amstelveen.
Daarnaast omvat zijn oeuvre diverse clubgebouwen, een stadion,
ziekenhuizen en bedrijfspanden.
Drie architectuurstromingen hebben Elte beïnvloed, achtereenvolgens de
school van Berlage, de Amsterdamse School en het internationale expressionisme.
Hij wilde echter nooit een exponent van een bepaalde stroming worden en
stelde zich onafhankelijk op. Dit blijkt ook uit zijn lidmaatschap van de
kunstenaarsvereniging ’De onafhankelijken’ en zijn betrokkenheid
bij het Nederlandsch Instituut van Architecten, dat zich niet aan
ideologieën of stromingen wilde binden en zich als tegenhanger van de BNA opstelde.
Elte was een talentvol ontwerper, maar zeker geen voorloper. Zijn stijl ontwikkelde
zich met de mode van de tijd en de smaak van zijn welgestelde opdrachtgevers mee.
In zijn oeuvre zijn geen gedurfde experimenten te vinden. Daarentegen straalt
zijn werk degelijkheid en rijkdom uit. Veel aandacht is besteed aan de
integratie van glas-in-lood, tegelwerk, betimmering en meubilair.
Het werk van Elte is kenmerkend voor een belangrijk aspect van de
Nederlandse architectuur: naast een klein aantal baanbrekende architecten
is er een grote groep architecten met werk van een hoge gemiddelde kwaliteit.
Juist zij leveren een grote bijdrage aan de kwaliteit van de gebouwde omgeving als geheel.
136 pagina’s
2001
prijs: Euro 14,75
ISBN 90-6643-113
|
| |
| Juliette
Roding
Thalita van Dijk
J.C. van Epen (1880-1960). Van villabouw
tot volkshuisvesting
Johannes Christiaan van Epen (1880-1960)
heeft in de eerste decennia van deze eeuw een belangrijke
bijdrage geleverd aan de totstandkoming van grote complexen
arbeiders- en middenstandswoningen in de nieuwe uitbreidingen
van Amsterdam. Desalniettemin is zijn werk, dat stilistisch
een eigen plaats inneemt tussen enerzijds de architectuur
van Berlage en anderzijds die van de Amsterdamse School,
minder bekend dan dat van veel van zijn tijdgenoten.
In de eerste periode van zijn loopbaan was Van Epen, die
in een socialistisch milieu was opgegroeid, vooral actief
als ontwerper van villa's en landhuizen. In 1910 kwamen
in Amsterdam zijn eerste woningbouwprojecten tot stand.
Vanaf dat moment bewoog zijn carrière zich tussen
deze twee uitersten: villabouw en volkshuisvesting. Zijn
plattegronden waren zo innovatief dat hij juist vanwege
dit aspect bij projecten van Berlage betrokken werd.
De architectuurvan de villa's en landhuizen die hij in
het Gooi en elders bouwde vormde steeds een belangrijk
referentiekader voor zijn volkswoningbouw, hetgeen onder
meer tot uitdrukking kwam in de door hem in talloze variaties
toegepaste erkers, steunberen, vorm en indeling van de
vensters, het kleurgebruik en de royale groenvoorziening.
Met zijn aandacht voor een goede keuken, een functionele
en hygiënische woninginrichting, liep hij vooruit
op de ideeën van de architecten van de Nieuwe Zakelijkheid.
Een derde belangrijke categorie vormen zijn ontwerpen
voor kindervakantietehuizen, jeugdherbergen, verenigingsgebouwen,
en zijn nooit gerealiseerde projecten voor collectieve
woongebouwen, met veel gemeenschappelijke voorzieningen
tegen een lage huurprijs.
179 pagina’s
1999
prijs: Euro 12,66
ISBN 90-76643-01-6
|
| |
| Han
Timmer
Henri Evers (1855-1929). Architect, geschiedschrijver,
hoogleraar
Henri Evers (1855-1929) staat vooral bekend als de architect
van het stadhuis van Rotterdam, een van de sprekendste
voorbeelden van klassieke Beaux-Arts-architectuur in Nederland
en een hoogtepunt van eclecticisme door de toepassing
van de vele verschillende stijlen. Daarnaast heeft Evers
andere ontwerpen op zijn naam staan, zoals de Remonstrantse
kerk en het Calandmonument in Rotterdam, de kerk van de
Nederlandse protestantenbond in Schiedam, villa's en een
aantal prijsvraagontwerpen.
Evers' plaats in de Nederlandse architectuur wordt tevens
bepaald door zijn jarenlange en invloedrijke onderwijs,
eerst als hoofddocent aan de academie in Rotterdam en
vervolgens als hoogleraar schone bouwkunst aan de Technische
Hogeschool in Delft. Generaties Nederlandse architecten
leerden van Evers de geest van het kunstenaarsschap en
de principes van de klassieke traditie.
In de monografie wordt voor het eerst, voor een groot
gedeelte aan de hand van nog niet eerder gepubliceerde
ontwerptekeningen, het oeuvre van Evers bijeengebracht
en in zijn architectuurhistorische context geplaatst.
Verder worden zijn opvattingen over architectuur geanalyseerd
en toegelicht en het belang van zijn onderwijs gekarakteriseerd.
Hieruit ontstaat een boeiend beeld van een veelzijdig
en geïnspireerd architect, geschiedschrijver en leermeester.
48 pagina’s
1997
prijs Euro 8,12
ISBN 90-802401-2-5
|
| |
| Eveline
Holsappel
Ida Falkenberg-Liefrinck (1901). De rotan
stoel als opmaat voor een betere woninginrichting
Ida Falkenberg-Liefrinck was één van de
weinige vrouwen die een actieve rol hebben gespeeld in
de kringen van de architecten van het Nieuwe Bouwen. Zij
is vooral bekend geworden door de ontwikkeling en propaganda
van de rotan stoel. Deze stoel, waarvan zij in de jaren
dertíg verschillende varianten ontwierp, zou pas
na de Tweede Wereldoorlog op ruime schaal een plaats in
het Nederlandse interieur veroveren.
Het experimenteren met nieuwe meubelvormen, waartoe zij
bij Metz & Co. in Amsterdam royaal de mogelijkheid
kreeg, heeft bij Ida Falkenberg-Liefrinck steeds in het
teken gestaan van een verlangen de minder bedeelde bevolkingsgroepen
een goede, plezierige woning te bieden. Haar aandacht
ging daarbij uit naar het groeiend aantal alleenstaande
vrouwen dat zich in de crisisjaren met kamers en kamertjes
in onderhuur moest behelpen.
Steeds heeft Ida Falkenberg-Liefrinck erop gewezen dat
de moderne stedenbouw en de bouw van moderne en functionele
woningen geen blijvend effect zouden hebben als niet tegelijkertijd
een totale maatschappelijke heroriëntatie zou plaatsvinden.
Met haar onverzoenlijke standpunten heeft zij een polariserende
rol gespeeld in de discussies over de rol van schoonheid
in de architectuur die in 1938 uiteindelijk tot een scheuring
binnen de architectengroep 'De 8 en Opbouw' heeft geleid.
Na de Tweede Wereldoorlog koos Ida Falkenberg-Liefrinck voor een leven in de toenmalige communistische DDR. Zij heeft daar nog verscheidene projecten gerealiseerd. De interieurarchitecte overleed in Berlijn in 2006 op 105-jarige leeftijd.
120 pagina’s
2000
prijs: Euro 15,66
ISBN 90-76643-08-3
|
| |
|
Trudy van den Hurk-van Haagen
K. van der Gaast (1923-1993). Transparantie en onverhulde constructies
Ir. Koenraad van der Gaast (1923-1993) heeft voor een groot deel het gezicht bepaald van de naoorlogse
stationsbouw in Nederland. Als Chef van de afdeling Gebouwen kreeg hij tot taak de stationsbouw aan te
passen aan de nieuwe bedrijfsvisie die zich bij de Nederlandse Spoorwegen had ontwikkeld. De ietwat
statische onderneming met de bijbehorende statige gebouwen moest veranderen in een dynamisch, laagdrempelig
bedrijf dat zich in dienst stelde van het grote publiek, speciaal ten behoeve van het woon-werkverkeer.
Bij die nieuwe visie paste een nieuw type station: in plaats van verblijfsruimte werd het doorgangsruimte.
In tegenstelling tot de kleine besloten gebouwen of de grotere deftige stations van zijn voorgangers,
ontwierp Van der Gaast stations met een uitnodigend karakter, die aansloten bij de bedrijvigheid in de
omgeving. Al in zijn eerste stations verschijnt een aantal elementen die op openheid zijn gericht: een
omhoog gebogen dak, royale luifels en volop glas in de gevels. Omdat het station een doorgangsruimte werd,
ontwierp hij korte, logische looproutes en kleinere wachtruimten en restauraties. Soms liet hij deze zelfs
geheel achterwege.
Met het haltegebouw Amsterdam Sloterdijk uit 1956 introduceerde Van der Gaast een totaal nieuwe
opvatting in de stationsarchitectuur. Alle voorzieningen werden hier samengebracht onder een hoge open kap.
Zo ondervond de reizigersstroom zo weinig mogelijk hindernissen.
In de jaren zestig werd dit idee van alles-onder-een-kap grootschaliger en vollediger doorgevoerd.
De kap groeide uit tot een opmerkelijke stalen constructie. Met station Tilburg uit 1965 heeft Van der
Gaast zijn meesterstuk geleverd. Een zelfdragende, golvende overkapping van 46 bij 147 meter en bestaande
uit twaalf hypparschalen spreidt zich uit over losstaande, transparant gehouden reizigers- en
dienstruimten, over de perrons, de sporen en de voorrijruimte.
De openheid, de centrale kap en de constructieve technieken die Van der Gaast introduceerde,
bleven een bron van inspiratie voor de jonge architecten uit de jaren tachtig en negentig.
Het gesloten, statige gebouw was een gepasseerd station geworden.
Behalve stationsgebouwen ontwierp Van der Gaast voor de NS ook diverse voetgangerstunnels,
fietsenstallingen, spoorbruggen en dienstgebouwen.
136 pagina’s
2004
prijs: Euro 15,25
ISBN 90-76643-23-7
|
| |
| David
Keuning
Lydia Lansink
A.L. van Gendt (1835-1901). J.G. van Gendt (1866-1925).
A.D.N. van Gendt (1870-1932). Architecten in zaken
Alle vier de zonen van waterstaatsingenieur Johan Godart
van Gendt (1803-1875) werden ingenieur of architect. De
bekendste van hen, de ingenieur-architect Adolf Leonard,
had twee zonen, Johan Godart en Adolf Daniël Nicolaas,
die eveneens in de voetsporen van hun vader traden.
A.L. van Gendt werkte ruim veertien jaar als bouw- en
werktuigkundige bij de Staatsspoorwegen. In 1870 vestigde
hij zich in Amsterdam waar hij in 1874 een eigen bureau
oprichtte, dat een `schier onovertroffen productiviteit'
ontwikkelde. De lijst van werken was, zoals De Opmerker
bij zijn dood in 1901 schreef, `werkelijk verbazend'.
Het grote geheim van dit succes was, volgens zijn oud-leerling
A.W. Weissman, dat Van Gendt zich een zakenman voelde
en niet als kunstenaar wilde poseren. Daaraan dankte hij
zijn uitstekende contacten met het bedrijfsleven. Wie
bij hem een gebouw bestelde kon er zeker van zijn iets
bruikbaars te krijgen. Zijn bureau ontwierp voor `den
principaal', of, zoals wij tegenwoordig zouden zeggen,
voor `de markt'. De zakelijke en technische grondslag
ging hem vóór alles; brieven en bestekken
schreef hij altijd eigenhandig. Wat de esthetica betreft
was hij uiterst liberaal. Van zijn personeel verlangde
hij om te beginnen een gedegen praktijkervaring, maar
wie artistieke ambities en talent als ontwerper had liet
hij de vrije hand. Dat verklaart mede het feit dat het
oeuvre van het bureau een grote variëteit aan - dikwijls
persoonlijk geïnterpreteerde - bouwstijlen te zien
geeft.
J.G. en A.D.N. van Gendt traden, na een leertijd in binnen-
en buitenland, in 1896 als compagnons toe tot de firma.
Na het overlijden van A.L. van Gendt zetten zij het bedrijf
voort, uiteindelijk als de Gebroeders van Gendt. Zij kregen
eveneens aanzienlijke opdrachten, ook buiten Amsterdam
en in Nederlands-Indië, onder andere van industriëlen
en diverse banken. Net als hun vader werkten zij, min
of meer als `raadgevende ingenieurs', samen met vooraanstaande
architecten: J.M. van der Mey, K.P.C. de Bazel en H.P.
Berlage. Vooral in Amsterdam bepalen de werken van het
bureau Van Gendt op tal van plaatsen het stadsbeeld en
gaat het meermalen om gebouwen `die iedereen kent', zoals
de Hollandsche Manege, het Concertgebouw en de winkelgalerij
aan de Raadhuisstraat.
Op de zolder van het pand Stadhouderskade 122, waar het
bureau Van Gendt en dat van zijn opvolger W.J. Klok waren
gevestigd, werd in 1973 het archief aangetroffen. Architect
Herman Klok schonk het in 1978, toen de firma definitief
werd opgeheven, aan het Nederlands Documentatiecentrum
voor de Bouwkunst in Amsterdam, zodat het zich thans bevindt
in het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam.
280 pagina’s
1999
uitverkocht (verkrijgbaar als werkdocument)
ISBN 90-76643-02-4
|
| |
| Dorothee
C. Segaar-Höweler
J.M. Groenewegen (1888-1980). Een Hagenaar
als Indonesisch architect
Om de economische malaise in Nederland te ontvluchten
hief architect Han Groenewegen in 1927 zijn Haagse architectenpraktijk
op en vertrok hij naar Medan in liet toenmalige Nederlands-Indië,
nadat hij van een relatie had gehoord dat daar bouwplannen
voor een ziekenhuis bestonden. Op een kort verblijf na
de Tweede Wereldoorlog in Nederland na, zou hij de rest
van zijn leven in Indonesië blijven, waar hij een
belangrijke rol speelde bij de vooroorlogse ontwikkeling
van Medan.
Met de enorme, monumentale bioscooptheaters, waarmee hij
in de jaren '50 in Indonesië de toon voor dit gebouwtype
zette, leverde hij een bijdrage aan de introductie van
de film als massamedium in zijn tweede vaderland. Ook
was Groenewegen er actief in het maatschappelijk leven,
hij was lid van de schoonheidscommissie van Jakarta, actief
als docent in het architectuuronderwijs en voltooide een
manuscript over de geschiedenis van de Oostaziatische
bouwkunst.
Zijn hele carrière bleef Groenewegen ook de Nederlandse
architectuurontwikkeling op de voet volgen, wat in zijn
architectonisch handschrift duidelijk zichtbaar is. Herkenbare
inspiratiebronnen zijn met name de Amsterdamse School,
bijvoorbeeld in de kerk te Medan (1928) met zijn paraboolvormige
daken, de strakke-orthogonaal geometrische stijl van architecten
als Wils, J.F. Staal en Dudok, zoals in het stadhuisontwerp
voor Medan (1940) en, in een geheel eigen variant op deze
stijl, in de naoorlogse bioscopen. Zijn zwembad in Medan
(1939) Iaat een sierlijk modernisme zien, zoals in Bijvoet
en Duikers Hotel Gooiland, terwijl de uitbreiding van
liet St. Elisabethziekenhuis in Medan (1963) met zijn
opvallende betonnen gevel brutalistische trekken vertoont
en een cultureel centrum (1953) als luchtig vliesgevelgebouw
met opgeheven dak is ontworpen. Gaandeweg werden ook Aziatische
elementen in zijn werk opgenomen, zoals in het prijswinnende
ontwerp voor de moskee Mesdjid Istiglal (1955) in Jakarta.
-
Groenewegen bleef ook in moeilijke tijden in Indonesië
en associeerde zich in 1956, toen Nederlanders daar geen
bedrijf meer mochten uitoefenen, met de Indonesische architect
Frits Silaban. Pas in de jaren zestig werd hij weer onder
eigen naam actief. In 1980 overleed Groenewegen in het
door hemzelf ontworpen (1955-1961) Sumber Waras ziekenhuis
in Jakarta.
92 pagina’s
1998
prijs: Euro 11,30
ISBN 90-802401-6-8
|
| |
| Michiel
Kruidenier
Z.D.J.W. Gulden (1875-1960). M. Geldmaker
(1874-1930). Specialisten in volkshuisvesting
Qua omvang van hun oeuvre behoorden de architecten
Z.D.J.W. Gulden en M. Geldmaker gedurende het interbellum
tot de belangrijkste specialisten op het gebied van de
volkshuisvesting. Niet alleen hebben ze een vele duizenden
woningen op hun naam staan, ook ontwierpen ze de woningplattegronden
voor bekende architecten als H.P. Berlage, J.M. van der
Mey, J.F. Staal en Margaret Staal-Kropholler. Ook hielden
Gulden en Geldmaker zich bezig met experimenten in de
volkshuisvesting. In zijn boek Rationalisatie in de woningbouw
presenteerde Gulden een plan voor een woongebouw voor
arbeiders met zeer uitgekiende plattegronden en met vele
centrale voorzieningen. Ook in diverse uitgevoerde projecten
werd hiermee geëxperimenteerd. Geldmaker overleed
jong, maar Gulden ging op gelijke voet door. Van zijn
naoorlogse; werk vormt het Arie Kepplerhuis in Amsterdam
uit 1952, een woningcomplex voor werkende echtparen dat
Gulden met zijn naoorlogse partner G. Husslage ontwierp,
een voortzetting van genoemde experimenten.
De architectuur van Gulden en Geldmaker kenmerkte zich
aanvankelijk als een sobere variant op de Amsterdamse
School: massieve, compacte woonblokken met een eenvoudige,
maar subtiele detaillering. Na de dood van Geldmaker werd
het werk strakker van karakter. De accentuering van hoek-
en middenpartijen bleef, maar veel van de detaillering
werd achterwege gelaten. Guldens sterke punt was het ontwerpen
van woningplattegronden.
Beide architecten lieten zich politiek en maatschappelijk
gelden in de toenmalige SDAP en als hoofdbestuurders van
de Vereniging van Nederlandse Bouwkundige Opzichters en
Tekenaars. Gulden was zeer actief: hij was een van de
oprichters van de Amsterdamse Bond van Gemeenteambtenaren
en ook hoofdbestuurslid van liet NVV. Daarnaast was hij
(mede)oprichter van een aantal woningbouwverenigingen.
Gulden en Geldmaker werkten niet alleen niet veel bekende
architecten samen; hun eigen bureau was een kweekplaats
van talent, waaruit o.a. J. H. van den Broek voortkwam.
Desalniettemin waren gegevens over Gulden en Geldmaker
en hun oeuvre tot voor kort nauwelijks te vinden. In de
literatuur werd weinig over hen gepubliceerd. Het archief
van liet architectenbureau Gulden en Geldmaker is vernietigd,
slechts over het naoorlogse werk van Gulden is nog archiefmateriaal
voor handen. Hoewel er zeker nog werken zullen ontbreken
is in dit boek een zo groot mogelijk deel van hun oeuvre
geïnventariseerd.
142 pagina’s
2003
prijs: Euro 16,50
ISBN 90 76643 18 0
|
| |
|
Wies van Moorsel
Dorothee Segaar-Höweler
Enrico Hartsuyker (*1925) en Luzia Hartsuyker-Curjel (*1926). Modellen voor nieuwe woonvormen
Enrico Hartsuyker en Luzia Hartsuyker-Curjel, die evenals Aldo van Eyck hun opleiding genoten aan de Technische Hochschule in Zürich, hebben in het Nederland van na de Tweede Wereldoorlog geijverd voor alternatieve vormen van woningbouw en stedenbouw. Hun stedenbouwkundige modellen Biopolis en Hydrobiopolis trokken in de jaren zestig nationaal en internationaal de aandacht. Geen scheiding van functies maar juist integratie van functies was hun motto. Het daarvan afgeleide seniorenproject Zonnetrap in Rotterdam functioneert nog steeds tot volle tevredenheid van de bewoners en de buurt.
In de woningbouw onderscheidden zij zich door alternatieve woningindelingen en nieuwe ruimtelijke oplossingen aan te dragen. Kenmerkend zijn de woningen met een open ruimte in het midden, de zogenaamde patiowoningen; de rondloopwoningen, waarbij geen enkele muur op de buitenomtrek van het huis aansluit, vaak met keuken en natte cel in het midden; kleine niveauverschillen (een soort splitlevel) en vides (voor een verticaal ruimtelijke werking). Behalve door deze kenmerken is vooral Luzia Hartsuyker-Curjel in de jaren ’80 bekend geworden door haar zogenaamde ‘vrouwvriendelijke woningen’, waarin de traditionele hiërarchische woningindeling plaats maakte voor onderling gelijkwaardige ruimtes. Toepassingen daarvan zijn onder andere te vinden in Amsterdam, Apeldoorn en IJsselstein.
344 pagina’s
2008
prijs: Euro 29,50
ISBN/EAN 978-90-76643-32-8
Op het boek is een onjuist e-mailadres vermeld. Het juiste adres is: info@bonas.nl
|
| |
| Martine
Bakker
Juliette Roding
George Willem van Heukelom (1870-1952).
Innovatieve constructies en sobere monumentaliteit
Binnen de Nederlandse architectuurgeschiedenis is het
werk van ir G.W. van Heukelom (1870-1952) nauwelijks bekend.
In de jaren twintig was hij echter binnen en buiten Nederland
beroemd om zijn Derde Administratiegebouw voor de Nederlandse
Spoorwegen in Utrecht.
Met de tweeëntwintig miljoen bakstenen die voor dit
gebouw nodig waren, was het ook het grootste gebouw in
baksteen van ons land. Op technisch gebied heeft Van Heukelom
enkele primeurs geleverd. In 1894 ontwierp hij de eerste
stalen perronoverkapping voor het nieuwe station 's-Hertogenbosch
van architect Eduard Cuypers, met wie hij nauw bevriend
was. Deze constructie, die enkele jaren geleden met sloop
werd bedreigd, is tot Rijksmonument verklaard en in oude
luister hersteld. Voor de perronoverkapping van het door
hemzelf ontworpen station Maastricht (1912-1915) koos
hij een ander nieuw materiaal: beton.
George Willem van Heukelom werd op 29 maart in Tilburg
geboren. Na de HBS doorlopen te hebben, ging hij in 1887
naar Delft waar hij civiele techniek studeerde. In 1891
kwam hij als aspirant-adjunct-ingenieur in dienst van
de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen.
Al spoedig kreeg hij de gelegenheid om architectonische
ontwerpen te maken. Zijn eerste werk was station Hengelo (1901), dat in de Tweede
Wereldoorlog verwoest werd. Vele stations
volgden, met name in Brabant en Limburg.
Veel minder bekend is dat Van Heukelom in zijn tijd een
bekend restauratiearchitect was, die vooral in Utrecht,
maar ook elders, in Groningen en Breda, kerken en andere
historische panden heeft gerestaureerd. Van Heukeloms
baksteenarchitectuur wordt gekenmerkt door een grote soberheid
en een streven naar reinheid van vorm. Ook het gebruik
van glas-in-lood vensters in opmerkelijke kleuren draagt
bij aan een spirituele sfeer in zijn werk. Zijn godsdienstige
overtuiging - hij maakte in zijn woonplaats Bilthoven
deel uit van een vrijzinnig protestantse groep van, kunstenaars
en filosofen - was hier mede debet aan.
96 pagina’s
2000
prijs: Euro 12,66
ISBN 90-76643-01-6
|
| |
| Annemieke
Drijber-Vos
M.P.J.H. Klijnen (1887-1973). Individualist
en estheet
'Een leven in roemrijke vergetelheid', zo
luidde de titel van een van de vele In Memoriams die naar
aanleiding van de dood van Jos Klijnen in 1973 verschenen.
Klijnen, architect en stedebouwer, was een eenling, een
estheet die zich niet wilde conformeren aan modernisme
of traditionalisme, de architectuurstromingen die het
Nederlandse architectuurdebat tijdens het interbellum
en de wederopbouw beheersten. Zijn bijzondere talent werd
vanuit beide richtingen onderkend. Zijn hoofdwerk, het
niet uitgevoerde cultureel centrum in Het Bossche Broek
in 's-Hertogenbosch, vormt met zijn eigenzinnige expressiviteit
een unicum in de Nederlandse architectuurgeschiedenis.
In de kritiek werd het met de Berlijnse Philharmonie vergeleken,
waarmee Scharoun destijds internationaal prestige verwierf.
Een vergelijking met Le Corbusiers Notre-Dame-du-Haut
in Ronchamps was evenzeer op zijn plaats geweest.
Ondanks de vele lof die Klijnen voor zijn ontwerpen kreeg
toegezwaaid, was hij aan het einde van zijn leven een
vergeten man. Hij had zijn tijd niet meegehad. Crisis
en wederopbouw boden weinig ruimte aan ontwerpers met
bijzondere expressieve gaven. Veel van zijn ontwerpen
werden niet uitgevoerd. Schrijven deed hij nauwelijks.
Voor school maken was bij niet in de wieg gelegd, de man
bij wie de ontwerpen - volgens collega's -- moeiteloos
uit de mouw rolden.
In zijn architectonische werk is Klijnens fascinatie voor
de stedenbouw zichtbaar. Behalve door de expressieve vormen
kenmerken veel werken zich door een contextuele benadering.
In zijn Volkenbondpaleis 'deint' de onregelmatige plattegrond
mee met het glooiend verloop van het terrein en met de
vorm van de oever van het Meer van Genève. Met
Klijnens cultureel centrum zou in 's-Hertogenbosch, met
een tweede markant gebouw naast de St.-Jan, een duidelijke
relatie tussen de oude stad en het aangrenzende natuurgebied
gelegd zijn. En in het wel uitgevoerde Brugplan Venlo
demonstreerde Klijnen zijn esthetische visie op de stedenbouw.
De brede corso tussen de beide kernen bracht een duidelijke
relatie tussen Venlo en liet pas geannexeerde Blerick
teweeg, met als visueel hoogtepunt de schuin geplaatste
Maasbrug met indrukwekkende vista's op de belde Maasoevers.
68 pagina’s
1998
uitverkocht (verkrijgbaar als werkdocument)
ISBN 90-802401-5-X
|
| |
| Walter
Hoogerwerf
H. Knijtijzer (1914-1994). Architectonische
waarden, achter de rooilijn verscholen
Het oeuvre van architect Herman Knijtijzer
(1914-1994) kenmerkt zich door een fijnzinnige architectuur,
die eenvoud en optimisme uitstraalt. Als jong architect
liet hij in de jaren dertig en veertig van zich horen
in de discussie tussen moderne en traditionele architecten.
Als vrijzinnig protestant wilde Knijtijzer de `ruimtelijke
hygiëne' van het Nieuwe Bouwen met `geestelijke hygiëne'
verbinden. De modernen verwachtten naar zijn idee teveel
van rede en techniek; Knijtijzer wilde daar `schoonheid
en verwondering' aan toevoegen.
Belangrijk voor zijn denken over architectuur waren de
lezingen die hij in 1942 hij architect F.A. Eschauzier
volgde. Hierdoor leerde hij zowel het werk van moderne
als meer traditionele architecten waarderen. Dat leidde
bij Knijtijzer echter niet tot het na de oorlog populaire
moderne eclecticisme; architecten moesten volgens hem
niet in, maar vanuit een traditie werken.
Knijtijzers werk omvat schoolgebouwen, kerken, kantoren,
kinderdagverblijven, winkels en woningen uit de periode
na de Tweede Wereldoorlog. Aanvankelijk werkte Knijtijzer
op het bureau van de antroposofische architect J.J. van
der Linden, met wie hij goed bevriend was. Samen maakten
zij vele studiereizen. In 1946 begon Knijtijzer zijn eigen
bureau. Hij had steeds zo'n zeven tekenaars in dienst,
onder wie Piet Blom en Lucien Lafour, maar wilde zijn
bureau niet verder laten groeien om grip op het werk te
kunnen houden.
Knijtijzer hechtte veel belang aan de sociale, culturele
en religieuze dimensies van het houwen en vond dat een
architect mede aan een `betere en schonere' wereld moest
vormgeven. Vanaf de jaren vijftig kreeg Knijtijzer veel
opdrachten voor restauraties, met name binnen de Amsterdamse
grachtengordel. Hij was lid van de Commissie Dooijes,
die belast was met de inventarisatie van waardevolle panden
in de hoofdstad.
Knijtijzer had zeer veel belangstelling voor kerkbouw.
Zelf heeft hij diverse protestante kerkgebouwen ontworpen,
zoals de Remonstrantse Kerk in Meppel (1951), de Waalse
Kerk te 's Hertogenbosch (1957) en de Nederlands Hervormde
Kerk in Klazienaveen (1959). Kroon op zijn werk was wel
dat hij als protestant de opdracht kreeg voor de verbouwing
van het Klooster 's Heerenhof in Babberich (1965-1968).
Knijtijzer heeft ook een redelijk groot geschreven oeuvre
nagelaten. Hij wijdde beschouwingen aan kerkbouw, monumenten,
restauraties en het bouwen in een historische context.
136 pagina’s
2000
prijs: Euro 15,66
ISBN 90-76643-07-5
|
| |
| Wijnand
Galama
Gaby Hutjes
E.H. Kraaijvanger (1898-1978). H.M. Kraaijvanger
(1903-1981). Tussen traditionalisme en modernisme - op
zoek naar schoonheid voor een moderne wereld
De gebroeders Evert en Herman Kraaijvanger zetten in 1928
op jonge leeftijd het bureau van hun vader voort. Evert
Kraaijvanger (1899-1978) studeerde civiele techniek in
Delft en was binnen het bureau vooral de organisator.
Herman Kraaijvanger (1903-1981) studeerde bouwkunde aan
de HTS in Utrecht en aan het Hoger Bouwkunst Onderricht
in Amsterdam. Hij was verantwoordelijk voor de ontwerpen.
In de jaren dertig bouwden de broers vooral woningbouwprojecten,
scholen en kerken voor overwegend katholieke opdrachtgevers.
Deze gebouwen kenmerken zich door een degelijke bouwstijl
in de traditie van de Nederlandse baksteenarchitectuur.
In en vlak na de Tweede Wereldoorlog waren de broers nauw
betrokken bij de wederopbouw van Rotterdam. Evert Kraaijvanger
was korte tijd wethouder van Wederopbouw en deed onderzoek
naar herstel en restauratie van belangrijke, nog resterende
monumenten in Rotterdam. Herman Kraaijvanger was tijdens
de bezetting onder meer lid van de groep Opbouw Rotterdam
(OPRO) waarin hij samen met J.H. van den Broek, W. van
Tijen en P. Verhagen voorstellen deed voor verbeteringen
aan het wederopbouwplan van Rotterdam.
De betrokkenheid bij de wederopbouw leverde veel werk
op voor het bureau. Van alle architecten die aan de herbouw
van de Rotterdamse binnenstad hebben gewerkt, hebben de
Kraaijvangers de meeste gebouwen ontworpen. Het Stationspostkantoor
en De Doelen vormen de hoogtepunten van dit omvangrijke,
Rotterdamse oeuvre.
De katholieke signatuur van het bureau en zijn opdrachtgevers
had een positieve invloed op de omvang van het oeuvre
buiten Rotterdam. In opdracht van het katholieke Vroom
& Dreesmann zijn, verspreid door heel Nederland, warenhuizen
gebouwd naar ontwerp van de Kraaijvangers. Voor het Rotterdamse
filiaal werd door het bureau een nieuw type plafond ontwikkeld,
dat wereldwijd navolging kreeg en internationaal werd
aangeduid als The Rotterdam Ceiling. De architectuur van
de Kraaijvangers ontwikkelde zich na de oorlog tot een
contemporaine mix, waarin een traditionele gevelopbouw
en zorgvuldige ornamentiek werden gecombineerd met functionele
principes en een modern materiaalgebruik. In de jaren
zestig maakte de ritmiek in de gevels plaats voor een
egaal, haast ongenaakbaar oppervlak, zoals bij de Bibliotheek
van de Katholieke Universiteit in Nijmegen en liet gebouw
van de Volkskrant in Amsterdam.
288 pagina’s
2000
prijs: Euro 22,46
ISBN 90-76643-03-02
|
| |
|
Axel Derks
Jan-Jaap Kuyt
Juliette Roding
A.J. Kropholler (1881-1973). Terugkeer tot
de Hollandse architectuurtraditie
Alexander Jacobus Kropholler (1881-1973) is een van de
merkwaardigste figuren uit de Nederlandse architectuurgeschiedenis.
Al heel jong was hij een succesvol architect- het architectenbureau
dat hij als 21-jarige autodidact samen net J.F. Staal
opzette was onmiddellijk een succes, met als grootste
opdrachtgever de levensverzekeringsmaatschappij De Utrecht,
voor wie ze een reeks kantoorgebouwen ontwierpen. Na acht
jaar beëindigde Kropholler echter de samenwerking,
naar aangenomen wordt wegens meningsverschillen in stijlopvatting.
Meningsverschillen en conflicten kenmerken Krophollers
gehele carrière: werk van collega's werd door hem
scherp bekritiseerd, hij trad uit de BNA omdat deze organisatie
lippendienst aan het modernisme zou bewijzen en traditionalisten
als Kropholler zou negeren. Bij raadhuisprijsvragen in
Leiden en Den Haag schaarde Kropholler zich onder de felle
criticasters van de jurering, nadat hij niet verder dan
de tweede plaats gekomen was.
Kropholler was een buitengewoon eigenzinnig man. Overtuigd
van zijn gelijk als hij was, richtte hij zich met zijn
opvattingen over architectuur eigenlijk liever tot het
publiek dan tot zijn vakgenoten. In een aantal artikelen
en boeken beschreef hij de schoonheidsprincipes van `goede
architectuur', uitgaande van de toepassing van traditionele
vormen en materialen. Hoewel Kropholler nauwelijks scholing
had - na een timmermansopleiding was hij bij een aannemer
gaan werken -was hij zeer belezen in religie, filosofie
en cultuurgeschiedenis. Hij raakte op jonge leeftijd geïmponeerd
door Berlage, met name door diens streven naar eerlijkheid
in materiaalgebruik. Met dit uitgangspunt keerde Kroproller,
die zich op jeugdige leeftijd tot het katholicisme liet
bekeren, terug tot de Hollandse architectuur van voor
de renaissance. Trapgevels, zadel- en schilddaken zijn
belangrijke kenmerken van Krophollers werk. Gevels zijn
in baksteen uitgevoerd, met natuursteen op knooppunten
in de constructie; in het interieur vindt men muren van
schoon metselwerk en gewelfconstructies.
Kropholler bouwde vele kerken, kloosters, gemeentehuizen,
enkele kantoorgebouwen en een aantal woonhuizen en woningcomplexen.
Met name de grote publieke gehouwen, waarbij ruime budgetten
beschikbaar waren, kenmerken zich door rijke decoratieve
programma's en een uitbundige detaillering, tot in het
fors geproportioneerde hang- en sluitwerk toe. Tot zijn
beste werken behoren de kerken en de stedenbouwkundige
ensembles, vaak woningcomplexen met een kerk in liet middelpunt,
zoals de Linnaeushof In Amsterdam. Hierbij kon hij voor
de typologie uit een rijke traditie putten. Deze complexen
zijn indrukwekkend door hun constructieve eenvoud en sobere
monumentaliteit. Daarnaast moeten ook Krophollers vele
meubels worden genoemd, die al door Berlage werden geroemd.
192 pagina’s
2002
uitverkocht (verkrijgbaar als werkdocument)
ISBN 90-76643-12-1
|
| |
| David
Geneste
Albert Gielen
Rick Wassenaar
L. van der Laan (1864-1942). J.A. van der
Laan (1896-1966). Een katholieke architectenfamilie -
rechtzinnig, maar veelzijdig en pragmatisch
Leo van der Laan (1864-1942) begon na een korte periode
als meubelmaker in 1891 een architectenbureau in Leiden.
De emancipatie van het katholieke volksdeel in de tweede
helft van de negentiende eeuw ging onder andere gepaard
met een grote bouwcampagne en Van der Laans bureau wist
vanuit de katholieke instituties opdrachten te verwerven
voor kerken, ziekenhuizen en scholen. Een andere belangrijke
bron van opdrachten vormde de dynamiek van liet winkelapparaat
in dezelfde periode: de markt maakte als belangrijkste
goederendistributiecentrum plaats voor de winkelstraat.
Dit bracht een enorme verandering in het stadsbeeld teweeg:
uitstalkasten in de vorm van uitspringende vensters en
transparante puien - Leo van der Laan speelde een grote
rol in de transformatie van het Leidse gevelbeeld.
Hij was opgeleid in de neogotische trant, die in katholieke
kring veel aanhang vond, maar bediende zich ook van neoclassicistische
en naderhand ook van Jugendstil- en Amsterdamse School-elementen.
Drie zoons van Leo van der Laan zouden eveneens naam maken
in de architectuur. Dom Hans van der Laan ontwikkelde
zich tot een internationaal befaamd theoreticus en werkte
als architect vaak samen met zijn broer Nico. In deze
publicatie komt naast Leo vooral zijn zoon Jan aan de
orde, die vanaf 1921 nauw met zijn vader zou samenwerken.
Hun gezamenlijke bureau verwierf nationale bekendheid
door het winnen van de Eindhovense stadhuisprijsvraag
in 1938.
Jan van der Laan studeerde cum laude af aan de TH Delft
en onderhield vanaf zijn studietijd een hechte band met
zijn hoogleraar M. J. Granpré Molière, die
een eenvoudige en in de traditie gegrondveste architectuur
voorstond. Van der Laan toonde zich als ontwerper veelzijdig:
in zijn jonge jaren zien we een orthogonale, expressionistische
stijl, later zou hij onder invloed van Kropholler tot
een romantisch traditionalisme komen. Na de Tweede Wereldoorlog
doen modernere elementen hun intrede in zijn werk, mede
als gevolg van zijn vele opdrachten in het kader van de
Wederopbouw en de vraagstukken op het gebied van net moderne,
grootstedelijke warenhuis, waarmee hij als huisontwerper
voor C&A te maken had.
352 pagina’s
2002
prijs: Euro 24,00
ISBN 90-76643-15-6
|
| |
| Sigrid
de Jong
J.H. Leliman (1828-1910). Eclecticisme als
ontwerpmethode voor een nieuwe bouwkunst
In de negentiende-eeuwse debatten over stijl,
waarheid, karakter, esthetiek, onderwijs, ambacht en het
vak van architect voerde J.H. Leliman (1828-1910) vaak
het hoogste woord. Hij formuleerde zijn gedachten in een
periode waarin nieuwe ontwikkelingen in de bouwkunst ervoor
zorgden dat er in Nederland volop werd gepubliceerd en
gediscussieerd over de architectuurgeschiedenis, het beroep
van architect en het onderwijs. Leliman mengde zich gretig
in de debatten die vaak waren geïnitieerd door de
nieuwe instituten: de Maatschappij tot Bevordering der
Bouwkunst en het genootschap Architectura et Amicitia.
De ideeën die Leliman daar uitsprak, zijn zeer vooruitstrevend
te noemen.
Na een studiereis door België en een opleiding in
Parijs aan het befaamde atelier van de Franse architect
Henri Labrouste, bracht Leliman een nieuwe ontwerp-methode
naar Nederland: het eclecticisme. Zijn ideeën over
deze vrije benadering van de toepassing van stijlelementen
zou hij zowel in geschriften en lezingen als in zijn bouwwerken
uitdragen. Leliman bleef de buitenlandse ontwikkelingen
op de voet volgen. In de eerste Nederlandse tijdschriften
voor architecten, Bouwkundige Bijdragen en De Opmerker
deed hij verslag van West-Europese bouwkundige ontwikkelingen,
archeologische ontdekkingen, prijsvragen, tentoonstellingen,
congressen en nieuw verschenen vakliteratuur. Op zijn
initiatief werd een driedelig plaatwerk uitgegeven, het
Album, Verzameling van bouwkundige schetsen en ontwerpen,
waarin met name onuitgevoerde ontwerpen van negentiende-eeuwse
Nederlandse architecten waren opgenomen. Met deze initiatieven
wilde Leliman zijn collega-architecten onderwijzen en
de uitwisselingen van ideeën bevorderen, bij gebrek
aan een Nederlandse opleiding in de bouwkunst. Leliman
zette zich in zijn lezingen en publicaties steeds in voor
de noodzaak van een goede opleiding tot architect, zoals
die in het buitenland al wel bestond.
Lelimans gebouwde oeuvre is in vergelijking tot zijn theoretische
bijdragen veel minder omvangrijk. Na het winnen van een
aantal prijsvragen legde hij zich met name toe op het
ontwerpen van woonhuizen, winkelpanden, scholen en arbeiderswoningen.
Hij behoorde tot de eerste architecten die in Amsterdam
woningen voor arbeiders ontwierpen. Over goede huisvesting
voor arbeiders publiceerde hij verschillende artikelen
en in de vele lezingen die hij hield, kwam dit onderwerp
ook vaak ter sprake. Op zijn vijftigste trok Leliman zich
terug als praktiserend bouwkunstenaar. Hij bleef nog wel
artikelen schrijven, vergaderingen bezoeken en lezingen
geven.
172 pagina’s
2001
prijs: Euro 15,66
ISBN 90-76643-10-5
|
| |
|
Esther Prook
J.H.W. Leliman (1878-1921). Architect en publicist
J.H.W. Leliman (1878-1921) is de architect die in 1912
voor het eerst het idee voor een architectuurmuseum lanceerde.
Leliman, die reeds op 41-jarige leeftijd overleed, was
gedurende zijn korte carrière buitengewoon actief,
zowel als architect als op cultureel en maatschappelijk
terrein. Zijn gebouwde oeuvre telt een kleine tweehonderd
werken. Daarnaast schreef hij een aantal boeken en honderden
artikelen. Hij was oprichter van de Bond Heemschut, bestuurslid
van de ANWB (voor welke instelling hij onder andere de
bekende `paddestoel' ontwierp), richtte toen zijn pleidooi
voor een architectuurmuseum niet onmiddellijk tot resultaat
leidde een Instituut voor Bouwkunst op en redigeerde gedurende
het grootste deel van zijn carrière een eigen architectuurtijdschrift.
In zijn architectonische werk ligt het zwaartepunt op
de woningarchitectuur. Hij ontwierp vele tientallen villa's
en stadswoonhuizen. Tegelijkertijd was Leliman een van
de pioniers op het gebied van de volkshuisvesting. Leliman
was een maatschappelijk bewogen, maar ook een zeer praktisch
ingesteld man, die als ontwerper wars van monumentaliteit
en effectbejag was en voor iedereen naar het maximaal
haalbare wooncomfort streefde. 0ok in zijn eerdergenoemde
activiteiten streefde hij naar een vermaatschappelijking
van de architectuurpraktijk. Met zijn tijdschrift De Bouwwereld
en het Instituut voor Bouwkunst richtte hij zich niet
alleen tot de vakgenoten, maar tot een breed publiek van
belangstellenden. Architectuur diende voor hem altijd
bij te dragen tot een groter geheel, de kwaliteit van
de totale omgeving. De omgeving die hij met Heemschut
tegen aantasting wilde beschermen en met de ANWB voor
iedereen toegankelijk wilde maken.
120 pagina’s
1997
prijs: Euro 10,39
ISBN 90-802401-3-3
|
| |
| drs. Tonny Claassen
Paul De Ley (1943). Bouwen voor de buurt – op zoek naar context en continuïteit
Architect Paul De Ley (1943) behoort tot de pioniers van de stadsvernieuwingsbeweging rond 1970. Hij heeft in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw met het ‘Bouwen voor de buurt’ de stadsvernieuwing een belangrijke impuls gegeven. Zijn carrière begon met het woningbouwproject op het Bickerseiland te Amsterdam (1972-1977), waar hij samen met zijn collega Jouke van den Bout met grote betrokkenheid en deskundigheid de buurt én de gemeente enthousiast wist te krijgen voor zijn plannen , waarmee de oorspronkelijke kleinschalige structuur van de buurt gehandhaafd bleef. Het betekende in een tijd van conflicterende belangen tussen bewoners van de oude stadswijken en het gemeentebestuur een ware cultuuromslag . Het verzet van de buurtacties tegen de aanleg van grote verkeerswegen dwars door de oude historische binnenstad en de voorrang aan kantoorgebouwen ten koste van de woonfunctie had succes. Meerdere plannen voor de stadsvernieuwing van Amsterdam en steden als Leiden, Rotterdam, Hilversum en Utrecht volgden.
Dat de stadsvernieuwing zich vanuit incidentele buurtacties tot een professionele ontwerpstrategie ontwikkelde is mede aan Paul De Ley te danken. De stadsvernieuwing werd één van de belangrijke speerpunten, niet alleen in Amsterdam, maar ook in politiek Den Haag. Paul De Ley ontwikkelde zich tot een specialist. Hij wist creatieve oplossingen te bedenken voor complexe situaties. Maatschappelijke betrokkenheid en een contextuele benadering waren in de jaren zeventig geliefde uitgangspunten voor een nieuwe generatie van jonge architecten. Het gedachtegoed van Aldo van Eyck, met pleidooien voor de menselijke schaal en herwaardering van de oude stad, vormde voor deze groep architecten een onuitputtelijke bron van inspiratie. In de ontwerpdiscussie werd gezocht naar antwoorden op problemen van grootschaligheid, anonimiteit en de verstoorde relatie tussen de mens en zijn omgeving. Kenmerkend voor het werk van Paul De Ley is de zorgvuldige inpassing van projecten in het omringende stedelijk weefsel
160 pagina’s
2007
prijs: Euro 18,95
ISBN/EAN 978-90-76643-29-8
|
| |
| Judy
den Dikken
Liem Bwan Tjie (1891-1966). Westerse vernieuwing
en oosterse traditie
De Chinese architect Liem Bwan Tjie (1891-1966), opgeleid
in Nederland, Frankrijk en China, heeft het grootste deel
van zijn carrière in het voor- en naoorlogse Indonesië
gewerkt. Liem was in Semarang opgegroeid als lid van de
door het Nederlandse koloniale bewind als `vreemde Oosterlingen'
beschouwde Chinese minderheid, aan wie grondbezit en officiële
functies waren ontzegd. Liem's ouders waren welgestelde
textielhandelaren, die de mogelijkheid hadden hun zoon
in Nederland te laten studeren. Van omstreeks 1910 tot
1924 verbleef Liem in Nederland, waar de middelbare school
en de MTS volgde en enkele jaren Bouwkunde aan de TH Delft
studeerde. In 1924 vertrok hij naar Parijs, aangetrokken
door het intellectuele en artistieke klimaat aan de Ecole
des Beaux Arts.
In 1926 vertrok hij naar Peking, waar hij zijn architectenopleiding
aan de Yenching Universiteit voltooide en vervolgens als
ingenieur-architect in overheidsdienst trad, waar hij
zich bezighield niet de houw van bruggen in Shaokan in
de provincie Kwangtung. Veel Indonesische jongeren van
Chinese afkomst zagen in China, waar in 1911 een revolutie
een einde aan liet keizerrijk had gemaakt, een nieuwe
toekomst. In 1929 keerde Liem echter terug naar Indonesië;
de situatie in China, dat in een opeenvolging van staatsgrepen
terecht kwam en waar plaatselijke `war lords' de bevolking
terroriseerden, was te onveilig geworden.
In Nederland had Liem praktijkervaring opgedaan op de
bureaus van B.J. Ouëndag, M. de Klerk,
Gulden en Geldmaker en Ed. Cuypers. In Nederland vond
hij tevens de gelegenheid om zich meer te verdiepen in
zijn Chinese culturele achtergrond. Tijdens zijn jaren
aan de TH Delft was hij lid van de Chinese studentenvereniging
Chung Hua Hui. Liem zou zijn hele carrière trachten
een brug te slaan tussen de moderne westerse architectuur
en de Chinese traditie. Terwijl de westerse traditie op
natuurbeheersing gericht is, is de Chinese traditie meer
gebaseerd op respect voor de natuur en aanpassing daaraan.
Veel van zijn werk kenmerkt zich door een strak en zakelijk
expressionisme, waarbij altijd veel aandacht is voor een
geleidelijke overgang van buiten naar binnen door middel
van veranda's en terrassen. In zijn woonhuizen gebruikt
hij soms traditionele vormen, zoals de hoogopgaande kappen
met veel overstek, waarbij zich meteen onder de kap een
bandvenster bevindt, zodat de kap lijkt te zweven. Liem
paste dikwijls decoratieve motieven in zijn werk toe;
vaak zijn dat gestileerde Chinese karakters. Hij nam het
liefst het totale interieurontwerp in zijn werk mee en
ook alle meubels, woningtextiel, enz. In het interieur
vinden we vaak bijzondere kleurencombinaties; Liem's meubels
zijn vaak strakke versies van traditionele Chinese meubels.
144 pagina’s
2002
prijs: Euro 16,50
ISBN 90-76643-14-8
|
| |
|
Gerrit de Vries, Dorothee Segaar-Höweler
Henri Maclaine Pont (1884-1971), architect, constructeur, archeoloog
Met een handvol aansprekende gebouwen verrijkte Maclaine Pont tussen 1910 en 1940 de westerse architectuur in Indonesië, het toenmalige Nederlands-Indië. Hij voelde affiniteit met de inlandse bouwtraditie en was van mening dat die verder ontwikkeld kon worden. Hij bereikte in zijn ontwerpen volstrekt oorspronkelijke resultaten, waarin waardevolle elementen van het inlands bouwen de inspiratie waren voor een architectuur en constructie die aan westerse maatstaven beantwoordde.
De in Batavia (Jakarta) geboren Maclaine Pont voltooide in 1909 zijn studie bouwkunde aan de Polytechnische school in Delft. Studiegenoten waren ondermeer Th. Karsten en M.J. Granpré Molière. Met een gedegen ontwerp voor het hoofdkantoor van de Semarang-Cheribon-Stoomtram Maatschappij (SCS) te Tegal in 1911 vestigde Maclaine Pont zijn naam in Indië. Later ontwierp hij ondermeer de gebouwen van de Technische Hogeschool Bandung in 1919, die nu nog als bijzonder gelden. In vorm en materiaal ogen zij Indisch, in constructie zijn ze doelmatig en expressief.
Midden jaren twintig woedde in architectenkringen in Indië een scherp discours over de eigenheid van de inlandse bouwkunst, die door Maclaine Pont verdedigd werd tegenover degenen die deze bouwtraditie minderwaardig of een doodlopend spoor vonden. Juist zijn fascinatie met die bouwtraditie bracht hem al experimenterend tot de ontwikkeling van gespannen dakconstructies, waarmee hij een uniek pionier op dit gebied was. Zijn experimenten met geavanceerde dakconstructies zijn te vergelijken met empirisch werk van P.L. Nervi, J. Prouvé, Fr. Otto en anderen, de meesten van later tijd.
De belangrijkste voorbeelden van zijn bijzondere constructies realiseerde Maclaine Pont in Trawulan (1931) op Oost-Java, waar een grote hoeveelheid door hem opgegraven archeologische vondsten in een veldmuseum werd ondergebracht. In zijn kerk van het Heilig Hart te Puhsarang (1937) paste hij een vergelijkbare dakconstructie toe, die zeer economisch was, bestand was tegen stormen en aardbevingen en die met een ranke ondersteuning veelzijdig gebruik toeliet.
Met zijn archeologische opgravingen bracht Maclaine Pont vrijwel in zijn eentje de resten van het voormalige 16e eeuwse rijk van Majapahit in kaart. Zijn betekenis als erfgoedbehoeder wordt in Indonesië dan ook zeer op waarde geschat.
Na de Tweede Wereldoorlog zou Maclaine Pont in Nederland zich toeleggen op de verdere ontwikkeling van evenwichtzoekende dakconstructies van nog veel grotere omvang, waarvoor hij diverse patenten verwierf, zonder dat dit tot gebouwde resultaten leidde.
128 pagina’s
2009
prijs: Euro 23,50
ISBN / EAN: 978-90-76643-36-6
|
| |
|
Ros Floor
Johan Frederik Metzelaar (1818-1897) en Willem Cornelis Metzelaar (1848-1918) Bouwers voor Justitie
Johan Frederik Metzelaar en Willem Cornelis Metzelaar waren vooraanstaande architecten in hun tijd. J.F. Metzelaar is een voorbeeld van een selfmade man, hij begon zijn loopbaan als timmerbaas en ontwikkelde zich tot architect. Zijn zoon begon zijn architectencarrière na een, voor die tijd, moderne opleiding aan de Polytechnische School in Delft.
Door hun ontwerpen en hun actieve rol in de architectenwereld zijn ze architectuurhistorisch van belang, maar vooral hun werk voor Justitie maakt ze ook in breder cultuurhistorisch opzicht interessant. Hun gerechtsgebouwen en gevangenissen door het hele land, en nieuwbouw in het justitiedorp Veenhuizen weerspiegelen veranderende opvattingen over rechtspraak en detentie.
Tot hun bekendste ontwerpen behoren de koepelgevangenissen in Arnhem, Breda en Haarlem en de gerechtsgebouwen in Tiel, ’s-Hertogenbosch en Rotterdam. Daarnaast ontwierpen zij de grootscheepse uitbouw van het detentiedorp Veenhuizen, oorspronkelijk onderdeel van de Maatschappij van Weldadigheid. Dit dorp staat op de nominatie te worden voorgedragen voor de UNESCO werelderfgoedlijst. Minder bekend, maar zeker belangwekkend zijn de door W.C. Metzelaar ontworpen rijksopvoedingsgestichten en tuchtscholen, vroege voorbeelden van justitiële (rijks)inrichtingen voor jeugdigen.
Het oeuvre van de Metzelaars is omvangrijk. Een belangrijk deel ervan is behouden, vaak nog in gebruik voor de oorspronkelijke functie, en goed gedocumenteerd in diverse archieven.
Dit boek is mede tot stand gekomen dankzij een financiële bijdrage van het Stimuleringsfonds voor Architectuur.
184 pagina’s
2009
prijs: Euro 29
ISBN / EAN: 978-90-76643-35-9
|
| |
|
Maarten Piek
K.J. Muller (1857-1942). Sportcomplexen, buitenplaatsen
en tuindorpen - gezondheid als leidraad in de architectuur
Karel Joan Muller (1857-1942) wordt in de
architectuurgeschiedenis wel `de vader van de Twentse
landhuizen' uit het begin van de twintigste eeuw genoemd,
maar in feite valt zijn carrière in twee periodes
uiteen. Na zijn opleiding aan de Polytechnische School
in Hannover, begon Karel Muller met zijn studiegenoot
Jonas Ingenohl en zijn broer, de literator Hendrik Clement
Muller een bureau in Amsterdam. Samen met rijke Amsterdamse
particulieren zetten zij zich in voor projecten op het
gebied van lichamelijke opvoeding en sport. Hoogtepunten
uit deze periode vormen het Turngebouw op de hoek van
de Marnixstraat en de Leidsekade (1887) en de Bad- en
overdekte zweminrichting aan de Heiligeweg (1896), het
grootste overdekte bassin in Europa van dat moment. Door
het huwelijk van twee van zijn zussen met telgen uit de
fabrikantenfamilie Gelderman verplaatste het werkterrein
van Muller zich eind jaren negentig naar Twente. Hier
realiseerde hij een groot aantal kostbaar ingerichte buitenplaatsen,
jachthuizen, kantoren en bankgebouwen. Voor de gebroeders
Stork ontwierp Muller het eerste tuindorp van Nederland
naar Engels voorbeeld: Het Lansink in Hengelo (1910-1917),
waaraan ook de bekende tuinarchitecten P. Wattez en L.A.
Springer meewerkten.
128 pagina’s
2001
prijs: Euro 15,66
ISBN 90-76643-09-1
|
| |
|
Albert Gielen
A.C. Nicolaï (1914-2001). Bouwstenen voor een moderne woonomgeving
De loopbaan van A.C. Nicolaï (1914-2001) bestrijkt de periode
van het einde van de jaren dertig tot de jaren tachtig, een periode die gekenmerkt wordt door
een grote dynamiek in architectuuropvattingen. Nicolaï's werk is echter bijzonder consistent.
In zo'n 40 jaar werkte hij aan een enorm oeuvre bestaande uit woningen, scholen, kantoren en kerken.
Ook ontwikkelde hij complete woonwijken.
Nicolaï's naam is onverbrekelijk met Emmen verbonden. Vanaf de vroege jaren vijftig werkte hij in deze
Drentse groeikern met een ambitieus programma van stadsuitbreidingen.
Hij ontwierp er de woonwijk Nijkampen, maar werd vooral bekend om zijn bijdragen aan de Emmerhout,
een verkeersluwe woonwijk met bijzondere aandacht voor de kwaliteit van de woonopgeving, waarvan hij
het centrum realiseerde. De Architectengroep Emmerhout, waarvan Nicolaï deel uitmaakte, maakte hiermee
zoveel furore dat men ook opdrachten van elders kreeg.
Een belangrijk deel van Nicolaï’s carrière valt samen met de Wederopbouw; hij moest werken met lage
budgetten en met een gebrek aan materiaal. Zijn werk kenmerkte zich in die periode door een eenvoudige
maar subtiele architectuur en veel aandacht voor wooncomfort. Al bij zijn woningen voor de Nederlandse
Aardoliemaatschappij (NAM) is te zien hoe hij met plaatsing en detaillering van kozijnen, luifels,
balkons en dergelijke zijn ontwerpen een opvallend gezicht wist te geven. In stedenbouwkundig opzicht
wist hij complexen van verschillende hoogte zo te variëren en te rangschikken dat een afwisselend straatbeeld
ontstond.
Beïnvloed door zijn leermeester P. Zanstra, J.H.L. Giesen en K.L. Sijmons zette Nicolaï na de oorlog
de opvattingen voort van Groep ’32. Deze architecten hadden in de jaren dertig kritiek op de al te
dogmatische opvattingen van de Nieuwe Bouwers, die van mening waren dat schoonheid min of meer
automatisch uit de doelmatigheid voort zou komen. De leden van Groep ’32 keerden zich tegen dit
dogmatische functionalisme. Zij wilden de vormgeving in het ontwerp weer een grotere rol laten spelen.
Naast zijn studie nam Nicolaï tijdens de oorlogsjaren deel aan de Doornse Leergangen, waar gedurende de
discussiebijeenkomsten werd gepoogd een brug te slaan tussen de Nieuwe Bouwers en de traditionalisten.
Zo raakte hij bekend met hun uitgangspunten. Dit alles vormde de basis voor een eigen stijl, waarvoor
hij al vroeg waardering kreeg: in 1946 won hij de Prix de Rome.
261 pagina’s
2004
prijs: Euro 24,00
90-76643-20-2
|
| |
|
Wies van Moorsel
Cora Nicolaï-Chaillet (1919-1975) interieurarchitecte en woonpedagoge
Ruimtelijkheid, doelmatigheid, flexibiliteit en gelegenheid bieden
voor uiteenlopende activiteiten, zo kan men de ontwerpvisie van de interieurarchitecte Cora Nicolaï-Chaillet
samenvatten. En: wonen is een levenskunst, waarvan mensen zich bewust moeten worden. Cora Nicolaï-Chaillet,
die in de oorlogsjaren en in de periode kort daarna was opgeleid, ontwierp volgens modernistische opvatting,
en was ook haar leven lang actief als propagandiste van de mogelijkheden die het moderne interieur de
bewoner bood. Tegenover het ’stofprincipe’ van de traditionele architectuur, met zijn dikke wanden,
gordijnen en vloerbedekking en zware meubelen, die erop gericht waren bewoners bescherming te bieden
tegen een mensvijandige buitenwereld, stond het moderne ’ruimteprincipe’: bescherming had zijn functie
verloren, de mens had zich immers vrijgemaakt en de inrichting van het huis moest de ontplooiing stimuleren.
Meubels waren geen statussymbolen, maar dienden zo eenvoudig en klein mogelijk te zijn om het huis vrij
te maken ten behoeve van allerlei activiteiten.
Ze gaf voorlichting over de inrichting van de eigen woning via de Stichting Goed Wonen en de Bond van
Plattelandsvrouwen. Ze richtte daartoe vele modelwoningen in en gaf talloze lezingen en cursussen.
Centraal in haar voorlichting en haar lessen stond altijd dat men, voordat men over de inrichting
van een woning na ging denken, zich altijd eerst moest realiseren wat men in die woning zou willen doen.
Zelf ontwierp ze vaak aan de hand van activiteitenschema’s. Daarnaast hamerde ze ook op samenhang tussen
interieurarchitectuur, architectuur en stedebouw, te bereiken door middel van een samenhangend ritme van
klein naar groot.
In de door Nicolaï-Chaillet ontworpen interieurs komen al die ideeën tot uitdrukking.
Ruimten worden bij haar in zones verdeeld, die voor verschillende activiteiten waren bedoeld.
Dit werd benadrukt door geraffineerde toepassingen van heldere kleuren, waarmee ze ruimtes ook
groter kon doen lijken dan ze waren. Flexibiliteit werd bereikt door plaatsing van wegklapbare
bedden en vouwwanden en kastenwanden in plaats van echte muren. Opvallend is dat bij alle
uiteenlopende activiteiten en individuele ontplooiing de gezinseenheid centraal bleef staan;
de woonkamer was niet alleen een trefpunt voor het gezin maar ook, vooral bij etagewoningen,
het doorgangsgebied voor de routes in de woning.
181 pagina’s
2004
prijs: Euro 22,50
ISBN 90-76643-21-0
|
| |
|
Michael Lucassen
Inez Kloosterman
J.J. van Nieukerken (1854-1913). M.A. van Nieukerken (1879-1963).
J. van Nieukerken (1885-1962). Architectuur als ambacht
- ontwerpen voor het patriciaat
Toen het architectenbureau Van Nieukerken in 1960 werd
opgeheven, werd daarmee een ontwerptraditie afgesloten,
die zijn oorsprong had in de negentiende eeuw. Johannes
van Nieukerken (1854-1913) was volgens de oude traditie
als architect in de praktijk gevormd. Hoewel in 1863 de
Polytechnische School, de latere TU Delft, was opgericht
prefereerde hij ook voor zijn zoons Marie (1879-1963)
en Johan (1885-1962) een praktijkleerschool. Van Nieukerken
senior droeg zijn opvattingen op zijn zoons over. Zo werd
de negentiende-eeuwse traditie van historiserende vormen
een rijke detaillering en een ambachtelijke bouwwijze
tot ver in de twintigste eeuw voortgezet.
Johannes van Nieukerken was een meester in het opbouwen
van een netwerk van opdrachtgevers, in zijn geval vooral
aristocraten, hoge ambtenaren en figuren uit de wereld
van handel en industrie. Deze kapitaalkrachtige groep
kon zich de kostbare bouwwerken veroorloven, die de Van
Nieukerkens graag ontwerpen. Een serie landhuizen van
ongekende schaal en enkele grote kantoorgebouwen vormen
markante objecten in het oeuvre van de Van Nieukerkens.
Hun hoofdwerk vormt onmiskenbaar het toenmalige Koloniaal
Instituut in Amsterdam, het huidige Koninklijk Instituut
voor de Tropen.
Van Nieukerken senior deed zijn architectuurvisie op in
de negentiende-eeuwse discussie om een nationale architectuurstijl
en ontwikkelde zich in navolging van P.J.H. Cuypers tot
een rationalist, werkend in een neorenaissance-idioom.
Zijn zoons waren minder principieel in hun vormkeuze en
gingen meer en meer eclectisch te werk.
Vanaf de jaren dertig liep de belangstelling voor de historiserende
vormen die de Van Nleukerkens bleven toepassen terug.
Ze bleven echter in hun visie geloven. Marie van Nieukerkens
ideeënplan voor de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog
toont negentiende-eeuwse steden op de schaal van de twintigste
eeuw en tot in de jaren vijftig bleven ze gebouwen ontwerpen
in een stijl die zijn wortels had in een architectuurdiscussie
die driekwart eeuw eerder had plaatsgehad.
204 pagina’s
1998
prijs: Euro 17,92
ISBN 90-802401-4-1
|
| |
| Aimée
Duisenberg
J. Otten Husly (1738-1796). Avant-garde
architect tijdens de Verlichting
De naam van Jacob Otten Husly (1738-1796)
is thans buiten een kleine kring van kenners vergeten.
Zijn monumentale gebouwen oogsten echter onverminderd
bewondering. Bij Open Monumentendagen en andere architectuur-evenementen
vormen ze grote publiekstrekkers. In zijn tijd was Otten
Husly een bekend man, die als een ware homo universalis
op uiteenlopende gebieden werkzaam was. Daarnaast hield
hij zich met landschapsontwerpen bezig en was hij ook
succesvol op het gebied van de waterstaat. Als docent
bouwkunst en later als directeur van een van de eerste
architectuuropleidingen in ons land speelde hij bovendien
een voorname rol in de professionalisering van het vak
van architect.
Otten Husly werd geboren in het Gelderse Doetinchem, maar
vertrok al voor zijn twintigste naar Amsterdam om zich
daar in de bouwkunst te bekwamen, onder andere hij zijn
ooms Jacob en Hendrick Husly. Monumentale gebouwen als
de stadhuizen van Weesp (1771) en Groningen (1775) en
het fundatiegebouw Felix Meritis in Amsterdam (1787),
later vooral bekend als theater, vestigden zijn naam.
In Husly's gebouwen is naar de smaak van de tijd een verschuiving
te zien van de drukke rococostijl naar een sober classicisme.
Hij toonde zich daarmee een progressief architect, die
van de nieuwste internationale ontwikkelingen op architectuurgebied
op de hoogte was. De voorkeur ging steeds meer uit naar
de sobere vormentaal van de Griekse en Romeinse tempelarchitectuur.
De rococo-overdaad werd als wuft beschouwd en minachtend
als 'nieuwe zwier' betiteld. De drukke vormentaal maakte
plaats voor de `edele eenvoud' van de klassiekere: rustige
guirlandes en rozetten op strakke gevels. Deze gevels
kenmerken zich door een horizontale driedeling, bestaande
uit basement, bovenbouw en dak. Bij het Groningse stadhuis
werden de decoratieve pilasters zelfs verlaten voor een
indrukwekkend vrijstaand zuilenportico, dat als symbool
voor de nieuwe `edele eenvoud' ging gelden.
Behalve architect was Husly ook een bekwaam interieurdecorateur.
Hij ontwikkelde zich tot een waar meester in figuratieve
en decoratieve stucdecoraties aan plafonds en wanden,
die dan ook een belangrijk deel van Husly's oeuvre vormen.
In monumentale gebouwen, maar ook in woonhuizen van tijdgenoten
die zich deze luxe konden veroorloven, waren dit soort
decoraties zeer populair. Verscheidene ervan zijn nog
steeds te bewonderen.
De waardering die thans nog voor Otten Husly als architect
bestaat komt tot uitdrukking in het zonder uitzondering
plaatsen van zijn architectuur op de lijst van beschermde
rijksmonumenten.
112 pagina’s
1998
uitverkocht (verkrijgbaar als werkdocument)
ISBN 90-802401-7-6
|
| |
|
Carol Schade
J.E. van der Pek (1865-1919). Pionier van de volkshuisvesting
In de periode vóór het totstandkomen van de Woningwet in 1902 heeft architect Jan Ernst van der Pek (1865-1919) door onderzoek en vooruitstrevende ontwerpen verbetering weten te brengen in de woonomstandigheden van arbeiders, met name in Amsterdam.
De inspanningen van Van der Pek en een kring van woninghervormers, waaronder zijn latere echtgenote Louise Went, resulteerden in een eerste blok woningen aan de Lindengracht, waarin hij zijn ideeën vorm wist te geven (1896). Dit bouwproject was mede bedoeld om de noodzaak aan te tonen van de invoering van een Woningwet. Dit wettelijk kader voor de volkswoningbouw is er vervolgens gekomen, gevolgd door de oprichting van enige ambitieuze woningbouwverenigingen, waaronder de Coöperatieve Woningbouwvereeniging Rochdale en de Vereeniging Amsterdamsch Bouwfonds.
Van der Pek, die voornamelijk voor deze verenigingen werkte, bracht als eerste architect belangrijke verbeteringen aan in de toen gebruikelijke woningplattegronden. Tevens was hij in 1905 de eerste architect die een gemeenschappelijke tuin toepaste in een woningblok, als plaats van verpozing voor de bewoners.
Belangrijke werken zijn de woningen voor de Coöperatieve Woningbouwvereniging Rochdale aan de Van Beuningenstraat, (1908-1912) en aan de Molukkenstraat (1909-1912). Ook het Amsterdams tehuis voor Arbeiders aan de Marnixstraat (1916-1918) en de stadsuitbreiding Buiksloterham in Amsterdam-Noord, later bekend als Van de Pekbuurt, staan op zijn naam.
184 pagina’s
2010
prijs: Euro 29,50
ISBN / EAN: 978-90-76643-37-3
|
| |
|
Meike Scharlemann
Jan-Derk Koudijs
S. van Ravesteyn (1889-1983). De meester van de gebogen lijn
In 1977 was bij de Stichting Architectuur Museum (SAM)
in Amsterdam en in het Centraal Museum in Utrecht een tentoonstelling te zien over het werk
van de tot dan toe in de literatuur weinig besproken architect Sybold van Ravesteyn (1889-1983).
In het kader van deze belangrijke tentoonstelling werd een catalogus gepubliceerd, die een
compleet oeuvreoverzicht en biografie bevatte. Na het verschijnen van dit tot vandaag als
standaardwerk bekende boek, is er lange tijd niets nieuws gepubliceerd over Van Ravesteyn's
architectuur. Op basis van het nog resterende archiefmateriaal wordt in deze BONAS-uitgave
het werk van Van Ravesteyn opnieuw onder de aandacht gebracht. De bewaard gebleven bronnen,
voornamelijk foto's, zijn belangrijk documentatiemateriaal, vooral omdat al tijdens zijn
leven buitengewoon veel van zijn werk is afgebroken. In de literatuur wordt Van Ravesteyn
dan ook terecht 'de meest gesloopte architect van Nederland' genoemd.
Sybold van Ravesteyn werd op 18 februari 1889 in Rotterdam geboren. Van 1906 tot 1912 volgde hij aan de
toenmalige Technische Hogeschool (TH) in Delft de studie civiele techniek. Na zijn studie trad hij in dienst
bij de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (SS) in Utrecht, een van de voorgangers van de
Nederlandse Spoorwegen (NS). Voor de spoorwegen, waarvoor hij tot 1959 bleef werken, ontwierp Van Ravesteyn
onder andere seinhuizen in Bergen op Zoom (1924), Maastricht (1932) en Dordrecht (1933) en de spoorwegstations
van Lutterade (1931), Kerkrade (1932) en Spekholzerheide (1932).
Zijn vroege werk wordt gekenmerkt door een functionele en technische uitstraling. Dit veranderde echter met
gebouwen zoals het Centraal Station (1935-1940) en het kantoor van de Brandwaarborg Maatschappij
'Tiel-Utrecht' (1936) in Utrecht, het interieur van het koninklijke jacht Piet Hein (1937), de Rotterdamse
Diergaarde Blijdorp in Rotterdam (1937) en het kantoorgebouw voor de Brandverzekerings Maatschappij
'Holland van 1859'(1937) en de verbouwing van schouwburg Kunstmin (1938) in Dordrecht. De interieurs
in Hollywood-achtige theaterstijl, met hun excessief gekruld meubilair, lambriseringen met golfslag
en sierlijke trapleuningen, vormen de opmaat tot zijn meest boeiende en tevens meest bekritiseerde
periode. De werken vallen op door een zwierige, bijna frivole en vooral heel persoonlijke vormentaal.
In deze ontwerpen zijn invloeden van de late barok en ook het neoclassicisme duidelijk zichtbaar.
Na de oorlog maakte, onder invloed van zijn reizen naar Italië, de sierlijke bewegingen van
Van Ravesteyn plaats voor een nadrukkelijke symmetrie. Voorbeelden van deze archaïsche stijl
zijn de spoorwegstations van Vlissingen (1949) en Nijmegen (1954). Met zijn laatste grote ontwerpen,
het Centraal Station in Rotterdam (1954) en het stationspostkantoor in Nijmegen (1956), keerde
Van Ravesteyn terug naar de functionele architectuur.
Behalve stationsgebouwen, (semi-)openbare gebouwen en kantoren ontwierp Van Ravesteyn meubels,
woonhuisinterieurs, grafische ontwerpen en benzinestations. De laatste decennia van zijn leven
wijdde Sybold van Ravesteyn voornamelijk aan het schrijven van artikelen en boeken.
'De meester van de gebogen lijn' overleed, op 94-jarige leeftijd, op 23 november 1983 in Laren.
204 pagina’s
2005
uitverkocht (verkrijgbaar als werkdocument)
ISBN 90-76643-24-5
|
| |
| drs
Rita Mulder-Radetzky
m.m.v. Cornelie Wiarda
L.P. Roodbaard (1782-1851). Een tuinarchitect
met schildersogen
Bezoeken van interessante historische tuinen,
parken en landschappelijke begraafplaatsen zijn al lang
niet meer beperkt tot een handvol wetenschappers en leden
van historische tuingenootschappen. Toch is informatie
over met name negentiende- en vroeg twintigste-eeuwse
tuinarchitecten en hun oeuvre schaars. Wetenschappelijk
onderzoek naar historische tuinarchitectuur staat nog
in de kinderschoenen.
Lucas Pieter Roodbaard (1782-1851) was in de eerste helft
van de negentiende eeuw werkzaam als tuinarchitect/ hovenier.
Als zoon van een Assens hovenier leerde hij het vak in
de praktijk. Zoals nog tot ver in de twintigste eeuw gebruikelijk,
was Roodbaard op het terrein van de tuinarchitectuur autodidact.
Eigentijdse publicaties van tuinontwerpen in de in die
tijd moderne landschappelijke stijl dienden hem tot basis
om binnen de heersende mode tot een zeer persoonlijke
stijl te komen, waarin met name de organische grillige
(cel-)vormen van perken en vijvers opvallen.
In de vroege jaren twintig van de vorige eeuw verhuisde
Roodbaard van Groningen naar Leeuwarden, waar hij te boek
stond als architect van buitens en tuinen. Zeer gewaardeerd
door gefortuneerde opdrachtgevers onder de adel, regenten
en kooplieden alsmede de lagere overheden ging liet Roodbaard
voor de wind, zodat hij zich in 1832 een statig herenhuis
in Leeuwarden kon veroorloven. Nog steeds is in Friesland
en Groningen zijn tuinarchitectuur te bewonderen. Een
van zijn bekendste ontwerpen vormt de Prinsentuin te Leeuwarden,
waarvan de grond in 1819 door koning Willem I aan de stad
was geschonken. Herinrichting van de bolwerken tot park
en de aanleg van de algemene begraafplaats te Leeuwarden
volgden, alsmede talloze tuinen voor buitens als Staniastate,
De Klinze, Vijversburg, Oranjestein, De Braak en Ekenstein.
In de noordelijke provincies is Roodbaard inmiddels een
begrip geworden. Ook elders in Nederland raakt zijn werk
bij een steeds grotere groep bekend, mede doordat steeds
vaker tuinexcursies worden betrokken bij de grote landelijke
architectuurevenementen.
80 pagina’s
1999
uitverkocht (verkrijgbaar als werkdocument)
ISBN 90 802401 8 4
|
| |
| drs
Willy Beunke-Meekes
Th.W. Rueter (1876-1963). Bouwen naar een levensideaal: eenvoudig, harmonieus en doelmatig
De architect Theodor Wilhelm Rueter, zoon van de lithograaf Georg Rueter,
groeide op in een gezin waarin ambacht en kunstzin gestimuleerd werden.
Zijn broers Georg en Gustaaf werden beeldend kunstenaar en meubelmaker.
Ook Theo Rueter bergon als meubelmaker; hij trad echter bij de architect C.B. Posthumus Meyjes sr.
in de leer. Op dit architectenbureau kwam Rueter in aanraking met de nieuwe ideeen van de
tuinstadbeweging, die een sociale woonvorm bepleitte, in nauw contact met de natuur.
Posthumus Meyjes bouwde het Snouck van Loosenpark in Enkhuizen, een van de eerste tuindorpen in
Nederland. Andere architecten die hem beïnvloedden waren onder andere K.P.C. de Bazel en
J.L.M. Lauweriks, die Rueter leerden hoe hij bij zijn ontwerpen op geometrische grondprincipes
kon teruggrijpen. De theosofen De Bazel en Lauweriks meenden dat men op deze wijze tot de kern
van de bouwopgave kon doordringen.
Rueter was een idealistisch en eigenzinnig man, maar hij was ook op de praktijk ingesteld.
In 1901 sloot hij zich aan bij de Internationale Broederschap van Christen-Anarchisten, een groep
idealisten die bij Blaricum een landbouwkolonie had gesticht, waar hun ideeen door 'eenvoudig,
ootmoedig en gemeenschappelijk' samenleven en -werken in de praktijk gebracht zouden worden.
Rueter ontwierp er een aantal koloniehutten en enkele bedrijfsgebouwen. Na het uiteenvallen van
de kolonie zou Rueter trouw bliiven aan de uitgangspunten die hij daar in de praktijk had gebracht:
eenvoud, harmonie en doelmatigheid. Zijn leven lang zou hij vasthouden aan een ambachtelijke bouwwijze,
traditionele materialen en harmonie tussen architectuur en de omringende natuur. Daarbij liet
hij zich beïnvloeden door de traditionele landelijke architectuur, die hij uit het Gooi kende,
maar ook zoals hij die op zijn vele reizen tegenkwam.
Als ontwerper had hij het tij mee. Het Gooi ontwikkelde zich tot forensenregio en er ontstond
een markt voor nieuw type woning, kleiner dan het traditionele negentiende eeuwse landhuis,
maar tegemoetkomend aan eigentijdse eisen van comfort, licht, lucht en ruimte. Rueter bouwde
echter ook enkele grotere landhuizen, zowel in neoclassicistische stijl als in de veel onregelmatiger
Engelse landhuisstijl, waarbij de plattegronden een vrije en functionele ordening van de vertrekken tonen.
Nadat Rueter teruggekeerd was van een reis door het Verre Oosten, werd hij in Nederland met het
succes van de Amsterdamse School geconfronteerd. Hij zou een aantal villa's in expressionistische
stijl bouwen. De golvende rieten daken en de in elkaar overvloeiende bouwdelen geven deze huizen
een beweeglijk en plastisch karakter. Daarnaast ontwierp Rueter, veelal samen met H.F. Sijmons,
ook een aantal gebouwen in een meer geometrisch expressionisme, met platte daken en een dynamische
ordening van in- en uitspringende rechthoekige bouwdelen, weaar geprononceerde dakoverstekken,
bandvensters, loggia's en hoog opgaande ranke schoorstenen horizontale en verticale accenten leggen.
Rueter bleef echter altijd vasthouden aan zijn oorspronkelijke uitgangspunten van eenvoud,
harmonie en doelmatigheid. Hij schuwde formele overdaad, van welke stijl hij zich ook bediende.
Dat leidde tot een opmerkelijk consistent oeuvre, waarvoor nog steeds grote waardering bestaat.
158 pagina’s
2003
prijs: Euro 17,25
ISBN 90-76643-19-9
|
| |
| Niek Smit
Hein Salomonson (1910-1994). Schijnbare eenvoud
Hein Salomonson (1910-1994) behoorde tot de tweede generatie architecten van het Nieuwe Bouwen. Hij volgde zijn opleiding eerst in Den Haag en daarna in Wenen bij Josef Hoffmann en Oswald Haerdtl. In zijn opleidingstijd werd hij gegrepen door de experimentele moderne architectuur van De Stijl en het Nieuwe Bouwen. Na een zomer op het atelier van Le Corbusier in Parijs vestigde hij zich in Amsterdam.
Als redacteur van het tijdschrift Goed Wonen gaf Hein Salomonson mede vorm aan het moderne wonen in de jaren vijftig en zestig in Nederland. Salomonson had een esthetische opvatting met veel oog voor detail, materiaal en vorm en werd geïnspireerd door het werk van Le Corbusier, Alvar Aalto en Gerrit Rietveld. Hij werkte regelmatig samen met Alexander Bodon en met de tuinarchitecten Mien Ruys en prof. ir J.T.P. Bijhouwer.
Salomonson is vooral bekend door zijn woonhuizen en interieurs. Zijn meest bekende huis is de villa op kolommen voor de sigarettenfabrikant Orlow in Amsterdam (1960). Hij ontwierp ook winkels, tentoonstellingen, meubelen (voor Metz & Co, Goed Wonen en A. Polak’s Meubelindustrie) en kantoren. Architectuur uit de jaren vijftig en zestig is sterk bedreigd, zo ook het werk van Salomonson. Veel van zijn zorgvuldig tot in de details vormgegeven gebouwen en interieurs zijn verdwenen of verminkt. Toch behoort zijn werk tot het beste uit deze periode en is het zeer typerend voor de naoorlogse moderne villabouw in Nederland.
De auteur Niek Smit, werkzaam als architectuurhistoricus bij Vereniging Hendrick de Keyser, deed in het kader van zijn studie kunstgeschiedenis onderzoek naar de architect Hein Salomonson, ondermeer in het archief van Salomonson in het NAi.
Dit boek is mede tot stand gekomen dankzij een financiële bijdrage van het Stimuleringsfonds voor Architectuur.
216 pagina’s
2009
prijs: Euro 29,50
ISBN/EAN 978-90-76643-34-2
|
| |
| Albert
Gielen
Ad van der Steur (1893-1953). Zorgvuldig
en met kleine stapjes vooruit – architect tussen
traditie en vernieuwing
Grote, monumentale gebouwen kenmerken het
werk van Ad van der Steur (1893-1953). Tot zijn oeuvre
behoren stations, scholen, ziekenhuizen, kantoorgebouwen
en elektriciteitscentrales, maar ook het museum Boymans-Van
Beuningen. Van der Steur, een van de meest productieve
architecten van het Interbellum en de vroege Wederopbouw,
was een meester in het inpassen van dit genre gebouwen
in het stedelijk weefsel.
Van der Steur werkte in een periode dat
de architectuur gekenmerkt werd door turbulente ontwikkelingen
en discussies. Een radicale groep vernieuwers pleitte
ervoor af te zien van esthetische overwegingen en de bouwopgave
als rationeel vraagstuk op te lossen. Anderen meenden
dat traditie inherent was aan de bouwkunst en dat men
architectonische archetypes niet zomaar los kon laten.
Van der Steur wist aan deze tegenstelling te ontkomen
door een andere benadering te kiezen. Zijn uitgangspunt
was de onverbrekelijke eenheid van stedenbouw en architectuur.
Het ging hem in de eerste plaats om een samenhangende
en begrijpelijke omgeving, zowel binnen- als buitenshuis.
Hij zag die omgeving als een coulissenlandschap, doorsneden
door vergezichten en doorkijkjes, waarin de ontwerper
door een goede afwisseling van harmonieën en tegenstellingen
visueel aantrekkelijke beelden moest componeren. Van der
Steur hanteerde hierbij een soort `praktische esthetiek',
die zich kenmerkte door de zorgvuldige geleding van grotere
en kleinere bouwdelen, waarmee een gebouw zich in zijn
omgeving moest voegen, een ondogmatische vermenging van
traditionele en moderne vormelementen en een markante
detaillering, m.n. in de vensters, die vaak ware voorbeelden
van `timmermansbeeldhouwwerk' zijn.
Van der Steur werkte vooral in Rotterdam,
waar hij zich van architect in gemeentedienst tot stadsbouwmeester
ontwikkelde en vervolgens een eigen bureau begon. De vele
schoolgebouwen die hij in Rotterdam-Zuid bouwde, zijn
steeds zorgvuldig vanuit de schaal van de omgeving naar
een hoger schaalniveau opgebouwd en vormen een net van
herkenningspunten in de wijken. Hetzelfde geldt voor het
GEB-gebouw, destijds een van de hoogste van Rotterdam.
De Art Deco ventilatiegebouwen en garages van het Maastunnelcomplex
vormen opvallende sieraden temidden van het weg- en waterverkeer.
Als esthetisch adviseur bij dit complex
raakte Van der Steur overtuigd van de noodzaak van een
tijdige integratie van technische en esthetische overwegingen.
In Van der Steurs bureau zouden architecten samenwerken
met civieltechnici en weg- en waterbouwkundigen. Na de
Tweede Wereldoorlog zocht hij naar vormen die bij de nieuwe
tijd pasten: hij het ontwerp voor de Rotterdamse Westland-Utrecht
hypotheekbank bleef het betonskelet in zicht. Om voeling
met de tijd te houden kregen jonge architecten veel armslag
op zijn bureau, dat tot een van de grootste van Nederland
uit zou groeien. In de gebouwen van Van der Steurs zelfgekozen
opvolger A. Bodon is tot in de jaren '80 de integratie
van architectuur en techniek te zien, die Van der Steur
zo na aan het hart lag.
171 pagina’s
2002
prijs: Euro 16,50
ISBN 9076643-13-x
|
| |
| drs. Jan van der Vaart
Hendrik Willem Valk (1886-1973). Moderne bouwtechniek - neoromantische esthetiek
Hendrik Willem Valk (1886-1973) staat bekend als bouwer van kerken in een historiserende stijl. In het begin van zijn carrière lag het zwaartepunt van zijn werk echter op volkswoningbouw, waarbij hij een eigentijdse vormgeving en toepassing van de modernste bouwtechnieken niet schuwde. Ook bij de kerken van de jonge Valk was het de toepassing van nieuwe technieken opvallend, waarbij beton en staal overigens slechts middelen waren om zijn vormideeën tot uiting te brengen.
Valk was in zijn geboorteplaats Elst opgeleid als meubelmaker/schrijnwerker, maar kwam tot het inzicht dat zijn ambities meer in de richting van de architectuur gingen. Hij werkte als tekenaar bij verschillende bekende architecten en kwam uiteindelijk als uitvoerder in dienst bij het kantoor van Jos Cuypers en Jan Stuyt in Amsterdam. Tijdens zijn verblijf in Amsterdam bekwaamde Valk zich verder als architect door het volgen van opleidingen. Bij het genootschap Architectura et Amicitia kwam Valk in aanraking met de bekende architecten van zijn tijd.
Gedurende de eerste jaren van zijn activiteiten als zelfstandig architect stond Valk nog duidelijk onder invloed van zijn leermeesters. In zijn volkswoningbouwprojecten liet hij echter steeds meer een geometrische stijl zien. In de loop van de jaren dertig voltrok zich in zijn vormuitdrukking een opvallende verandering. Naast een gematigde vorm van decoratieve baksteenarchitectuur voor de bouw van kloosters en scholen, ontwikkelde Valk zich in zijn vormentaal in de richting van een landelijk, historiserend eclecticisme. Zijn groeiende waardering voor het ambacht bracht hem tot een bewuste keuze voor het toepassen van ambachtelijk verwerkte materialen. Met grote overtuiging paste hij zijn opvattingen toe, wat leidde tot een rustieke, haast romantische vormentaal, waarbij de toegepaste materialen het landelijke effect benadrukte. Vanuit deze inzichten bouwde hij kerken, kapellen, herenhuizen en villa's.
Valk werkte hoofdzakelijk in Noord-Brabant en Limburg. Hij hoopte met zijn ideeën een nationale rol in de architectuurdiscussie te kunnen spelen en liet zich met name bij de ideevorming rondom het nieuwe stadhuis van Amsterdam niet onbetuigd, zowel bij de prijsvraag als naderhand door middel van diverse ongevraagde ontwerpbijdragen, hetgeen hem onder vakgenoten niet steeds in dank werd afgenomen. Zijn opvattingen over ambachtelijk bouwen en de menselijke maat en het ‘volkseigen’ karakter waarnaar hij in zijn ontwerpen streefde, werden echter door de meeste van zijn tijdgenoten als achterhaald gezien.
320 pagina’s
2007
uitverkocht (verkrijgbaar als werkdocument)
ISBN/EAN 978-90-76643-27-4
|
| |
| Iris
van der Horst
m.m.v. David Geneste
J. Verheul Dzn. (1860-1948). Voor iedere periode, locatie
of functie een passend ontwerp
'Het treurigste gevoel dat ik ken is de weg te weten in
een gebouw dat niet meer bestaat'. Deze uitspraak van
Rudy Kousbroek is bij uitstek van toepassing op de Rotterdamse
architect Johannes Verheul Dirkzoon (1860-1948) van wiens
oeuvre door het bombardement op Rotterdam en door sloop
nu nog maar de helft over is.
Aanvankelijk opgeleid tot architect-timmerman bij zijn
vader, ontwikkelde Verheul tijdens zijn studie in Delft
een duidelijke voorkeur voor de `Delftse renaissance'
en de Duitse architectuurtheorie zoals gepropageerd door
de eerste hoogleraar bouwkunde, Eugen Gugel. In 1884 ontving
Verheul zijn eerste opdracht niet de prestigieuze 'Groote
Schouwburg' in het centrum van Rotterdam. Na een prijsvraag,
die tot felle discussies leidde, bouwde hij de Grote 'Koninklijke'
kerk te Apeldoorn en vervolgens tal van luxueuze heren-
en buitenhuizen. Onder invloed van nieuwe ontwikkelingen
in binnen- en buitenland, kwam Verheul rond de eeuwwisseling
met een eigen variant op liet Berlagiaanse modernisme.
Ook flirtte hij kort maar intensief met de nieuwe Jugendstil,
waarvan het verzekeringsgebouw `De Utrecht' een uitbundig
hoogtepunt in de Nederlandse architectuur vormde. Tevens
werd Verheul gevraagd zijn ideeën over het moderne
protestantse kerkgebouw in twee Haagse kerken vorm te
geven en ontwierp hij bedrijfs- en kantoorgebouwen in
een zakelijke, strenge vormentaal.
Behalve als architect was Verheul bij de architectuurdiscussie
betrokken als voorzitter van tal van beroepsverenigingen
en als mederedacteur van het Bouwkundig Weekblad, en jureerde
hij voor tal van nationale en internationale prijsvragen.
Daarnaast trachtte Verheul in zijn functie als Rotterdams
gemeenteraadslid van de snel veranderende Maasstad een
`welgevormde' metropool te maken, die ook het grootse
verleden zou blijven uitstralen. De laatste jaren van
zijn besteedde Verheul grotendeels aan het vastleggen
van dit historische Rotterdam. Een omvangrijke collectie
hoeken, artikelen en waterverftekeningen van zijn hand
geven een uniek beeld van de verdwenen Maasstad.
Dit alles maakt Verheul meer dan een architect die werkte
op de vermeende scheidslijn tussen historiserende en moderne
architectuur; Verheuls geschriften, ontwerpen en prominente
rol in liet stadsleven schetsen het beeld van een veelzijdig
en bevlogen ambachtsman, gehecht aan tradities maar zeker
niet schuw van vernieuwingen.
143 pagina’s
2003
prijs: Euro 16,50
ISBN 90 76643 17 2
|
| |
|
Annet Pasveer
m.m.v. Michiel Kruidenier
F.A. Warners (1888-1952). Pionier van het etagehuis
De Amsterdamse architect Philip Anne Warners (1888-1952) is vooral de geschiedenis ingegaan
als bouwer van het zogenaamde 'etagehuis' en pleitbezorger van hoogbouw. In 1913 bouwde hij
aan de Amsterdamse De Lairessestraat de eerste woonflat in Nederland naar voorbeelden die
hij tijdens zijn reis langs diverse Europese hoofdsteden had gezien. Als flatgebouw
viel 'Huize Loma' in het straatbeeld nauwelijks op, omdat ze onder dezelfde regelgeving
viel als ieder ander woningblok in Amsterdam en een beperkte bouwhoogte had. Toch was de
introductie van het etagehuis van Warners een belangrijke stap in de ontwikkeling van de
hoogbouw in Nederland.
Om de financiering van de bouw van dergelijke luxe, zeer ruime en comfortabele appartementen
mogelijk te maken, richtte Warners in 1914 samen met zijn schoonvader Allert de Lange de N.V.
Amsterdamsche Maatschappij tot Exploitatie van Etagewoningen (AMEE) op. Behalve woonblokken
in Amsterdam-Zuid en Den Haag bouwde de AMEE rond 1930 in Amsterdam ook de
kantoorgebouwen 'Atlanta' en 'Candida'. Het tien verdiepingentellende Candida bracht door
zijn opvallende hoogte een discussie op gang over de toelaatbaarheid van hoogbouw in de
Amsterdamse binnenstad.
De architect Warners beperkte zich niet tot het ontwerpen van etagehuizen en kantoorgebouwen.
Zijn oeuvre laat een diversiteit aan gebouwtypen en stijlen zien, beïnvloed door de heersende
modes en de wensen van de opdrachtgevers. Zo ontwierp hij een olieraffinaderij in Roemenië,
landhuizen en villa's in Limburg, Noord-Holland, Overijssel en Brabant, woonhuizen in Amstelveen,
Amsterdam en Den Haag en een watertoren in Noordwijk. Ook ontwierp hij sportgebouwen, café's,
kerken en bioscopen. Een apart aspect in zijn oeuvre vormen de interieur- en meubelontwerpen.
Voor veel van deze ontwerpen liet Warners zich, net als voor de meeste van zijn andere ontwerpen,
inspireren door de toen heersende Amsterdamse Schoolvormgeving. Na de Tweede Wereldoorlog werden
zijn ontwerpen strakker en zakelijker. Hij ontwierp enkele fabriekscomplexen, die in de oorlog
geheel of gedeeltelijk waren verwoest, zoals de vatenfabriek voor 'Rheem-Evenblij' in Zaandam,
de 'Sunlight'-zeepfabriek in Vlaardingen en de Erdalfabriek in Amersfoort. Sinds 1945 werkte hij
samen met zijn zoon Allert, die na Warners' dood in 1952 het architectenbureau voortzette. Philip
Warners liet een groot aantal imposante gebouwen na, die alle gekenmerkt worden door duurzaamheid,
degelijkheid en bruikbaarheid. Warners' opvatting was dan ook: 'De bouwmeester, die zichzelf
ondergeschikt aan zijn opdracht weet, is slechts in den ware zin des woords de 'bouwmeester'.
Hij zal eerst dan de kunst verstaan, om alle practische, technische en aesthetische eischen tot
een nuttige, economische en karakteristieke schoonheid te verwerken. Eerst als de architect zijn
hobby voor glas of hout of steen of kleur heeft overwonnen, zal hij in staat zijn de hem gegeven
opdracht goed uit te voeren.'
160 pagina’s
2004
prijs: Euro 17,75
ISBN 90-76643-22-9
|
| |
|
Josi Smit
m.m.v. Radboud van Beekum
J.D. Zocher (1791-1870). Architect en tuinarchitect
J.D. Zocher jr. was een buitengewoon productief architect en tuinarchitect. Zijn klantenkring bestond uit gemeentebesturen van grote en kleinere Nederlandse steden, rijke kooplieden, bankiers en andere invloedrijke personen, adellijke families en leden van de Koninklijke familie. Naast verschillende grote en bekende werken zoals het Vondelpark en de Koopmansbeurs in Amsterdam, de singelplantsoenen in Utrecht en Haarlem en Het Park in Rotterdam, heeft hij ook tientallen buitenplaatsen van welgestelde families ontworpen, veelal in de duinstreek of de Utrechtse Heuvelrug gelegen.
Zocher ontwierp zijn gebouwen in neoclassicistische stijl, die in zijn tijd zeer populair was, maar later uit de gratie raakte. Mede daarom zijn veel van Zochers gebouwen gesloopt of verbouwd.
De landschapsstijl die Zocher in zijn tuinontwerpen hanteerde maakte gebruik van een reeks beeldmiddelen die kenmerkend zijn voor zijn werk: om grote waterpartijen werden wandelingen aangelegd, en werd afwisseling aangebracht tussen open en gesloten elementen en tussen licht en donker: na een stukje bos kwam een weids uitzicht, soms op een stad of dorp in de verte, of op een andere buitenplaats. Donkere boomgroepen werden vaak in een licht weiland gezet. Begin en eindpunt van waterpartijen werden verdoezeld in zogeheten bronbosjes en leken mede door hun slingerend verloop geen einde te kennen.
Van Zochers landschapsparken is nog veel terug te vinden, al is het daarbij moeilijk te bepalen hoeveel er nog in originele staat verkeert. Sommige parken zijn goed onderhouden, maar bij vele zijn in de loop van de jaren zichtlijnen en doorkijkjes dichtgegroeid. Maar wat ervan over is, is vaak zeer de moeite waard: bomen van soms meer dan 150 jaar oud en oude tuingebouwtjes maken veel verwaarlozing goed.
Zochers ontwerpen voor diverse begraafplaatsen is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van een funeraire cultuur in Nederland. Opdrachtgevers waren gemeentelijke besturen. De algemene begraafplaatsen van Utrecht, Zutphen, Doesburg, Alkmaar, Heemstede, Haarlem en Amsterdam (Zorgvlied) zijn door Zocher ontworpen. Verder ontwierp hij een bijzonder grafmonument in Egmond aan Zee (Het Van Speyk monument) en een graftombe voor de familie Van Nellesteyn in Leersum.
240 pagina’s
2008
prijs: Euro 27,50
ISBN/EAN 978-90-76643-31-1
Op het boek is een onjuist e-mailadres vermeld. Het juiste adres is: info@bonas.nl
|
| |
| |
| |
| Speciale uitgave |
| |
| Onder redactie van Radboud van Beekum, David Geneste en Jan Vredenberg
Met bijdragen van Jean-Paul Baeten, Radboud van Beekum, Ruud Brouwers, Gonda Buursma, Tonny Claassen, Rob Dettingmeijer, Ben Eerhart, Rein Geurtsen, Albert Gielen, Lily Hermans, Guido Hoogewoud, Michiel Kruidenier, Marieke Kuipers, Jan Laan, Lydia Lansink, Paul De Ley, A.C.A. de Micus, Patrick van Mill, Wies van Moorsel, Ingrid Ostermann, Ineke Pey, Michiel Roding, Pauline van Roosmalen, Dorothee Segaar, Chris Smeenk, Niek Smit, Han Timmer, Ton Verstegen, Rosa Visser-Zaccagnini, Jan Vredenberg, Mariet Willinge en Hielkje Zijlstra
Tjeerd Boersma. Laverend op koers
Deze bundel verschijnt ter gelegenheid van het afscheid van Tjeerd Boersma bij BONAS. Hij heeft BONAS niet alleen bedacht, hij heeft er twaalf jaar leiding aan gegeven en het gemaakt tot een onmisbaar instrument voor onderzoek naar onze gebouwde omgeving. Leidraad hierbij was de gedachte dat onze vaak persoons- of ideologisch gebonden lapidaire kennis van de architectuurgeschiedenis nog wel wat aanvulling kan gebruiken, wil ze ooit het predikaat compleet verdienen. Daartoe is inmiddels een almaar uitdijende database online beschikbaar, en is een fraaie reeks boeken over interessante, maar vaak onbekende architecten verschenen.
Deze bundel geeft blijk van de waardering voor Tjeerd, die is neergelegd in een groot aantal artikelen door mensen van zeer verschillende achtergrond. Allen hebben gemeen dat ze op een of ander moment met Tjeerd hebben samengewerkt, als stagiair(e) of vrijwilliger bij BONAS, als collega bij de Stichting Wonen of het NAi, als auteur van een BONAS-publicatie. De bundel geeft een beeld van de grote verscheidenheid in de Nederlandse architectuur en stedenbouw, alles waar BONAS voor staat en waar Tjeerd al die jaren voor heeft gestaan. Hij markeert het einde van een tijdvak, maar vormt evenzogoed een schakel met de BONAS-boekenreeks die, nu zonder Tjeerd, wordt voortgezet en nog vele bouwstenen voor onze kennis van de architectuurgeschiedenis zal opleveren.
Dit boek valt buiten het abonnement en is verkrijgbaar bij de Stichting BONAS, 010-4401221
160 pagina’s
2007
prijs: Euro 15,00
|
| |
|
|
| |
|