Alle titels - BONAS - Kennisportaal voor Nederlandse architectuur en stedenbouw

BONAS
Kennisportaal voor Nederlandse architectuur en stedenbouw
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Alle titels

Boekwinkel > Winkel



BONAS-boeken
met kortingsregeling
Van de BONAS-boeken, zoals die tot 2015 door de Stichting BONAS werden uitgegeven, is een aantal delen uitverkocht. Er zijn nog 46 exemplaren op voorraad bij de Stichting BONAS. Voor veel architectuurliefhebbers gelden  ze als collector’s items. U kunt deze bestellen door ze in de onderstaande webwinkel in uw winkelwagen te laden. Voor wie meerdere exemplaren wil bestellen geldt een speciale kortingsregeling.
Wie drie delen of meer bestelt krijgt 10% korting. Wie tien delen of meer bestelt krijgt zelfs 30% korting. Daarnaast is aan deze kortingsactie nog een extra voordeel verbonden: u krijgt de boeken portvrij thuisgestuurd. Wie gebruik wil maken van deze bijzondere korting kan de boeken bestellen met een e-mail naar info@bonas.nl
Albert Gielen - Ad van der Steur (1893-1953). Zorgvuldig en met kleine stapjes vooruit

Albert Gielen - Ad van der Steur (1893-1953). Zorgvuldig en met kleine stapjes vooruit

Grote, monumentale gebouwen kenmerken het werk van Ad van der Steur (1893-1953). Tot zijn oeuvre behoren stations, scholen, ziekenhuizen, kantoorgebouwen en elektriciteitscentrales, maar ook het museum Boymans-Van Beuningen. Van der Steur, een van de meest productieve architecten van het Interbellum en de vroege Wederopbouw, was een meester in het inpassen van dit genre gebouwen in het stedelijk weefsel. Van der Steur werkte in een periode dat de architectuur gekenmerkt werd door turbulente ontwikkelingen en discussies. Een radicale groep vernieuwers pleitte ervoor af te zien van esthetische overwegingen en de bouwopgave als rationeel vraagstuk op te lossen. Anderen meenden dat traditie inherent was aan de bouwkunst en dat men architectonische archetypes niet zomaar los kon laten. Van der Steur wist aan deze tegenstelling te ontkomen door een andere benadering te kiezen. Zijn uitgangspunt was de onverbrekelijke eenheid van stedenbouw en architectuur. Het ging hem in de eerste plaats om een samenhangende en begrijpelijke omgeving, zowel binnen- als buitenshuis. Hij zag die omgeving als een coulissenlandschap, doorsneden door vergezichten en doorkijkjes, waarin de ontwerper door een goede afwisseling van harmonieÎn en tegenstellingen visueel aantrekkelijke beelden moest componeren. Van der Steur hanteerde hierbij een soort `praktische esthetiek’, die zich kenmerkte door de zorgvuldige geleding van grotere en kleinere bouwdelen, waarmee een gebouw zich in zijn omgeving moest voegen, een ondogmatische vermenging van traditionele en moderne vormelementen en een markante detaillering, m.n. in de vensters, die vaak ware voorbeelden van `timmermansbeeldhouwwerk’ zijn. Van der Steur werkte vooral in Rotterdam, waar hij zich van architect in gemeentedienst tot stadsbouwmeester ontwikkelde en vervolgens een eigen bureau begon. De vele schoolgebouwen die hij in Rotterdam-Zuid bouwde, zijn steeds zorgvuldig vanuit de schaal van de omgeving naar een hoger schaalniveau opgebouwd en vormen een net van herkenningspunten in de wijken. Hetzelfde geldt voor het GEB-gebouw, destijds een van de hoogste van Rotterdam. De Art Deco ventilatiegebouwen en garages van het Maastunnelcomplex vormen opvallende sieraden temidden van het weg- en waterverkeer. Als esthetisch adviseur bij dit complex raakte Van der Steur overtuigd van de noodzaak van een tijdige integratie van technische en esthetische overwegingen. In Van der Steurs bureau zouden architecten samenwerken met civieltechnici en weg- en waterbouwkundigen. Na de Tweede Wereldoorlog zocht hij naar vormen die bij de nieuwe tijd pasten: hij het ontwerp voor de Rotterdamse Westland-Utrecht hypotheekbank bleef het betonskelet in zicht. Om voeling met de tijd te houden kregen jonge architecten veel armslag op zijn bureau, dat tot een van de grootste van Nederland uit zou groeien. In de gebouwen van Van der Steurs zelfgekozen opvolger A. Bodon is tot in de jaren ’80 de integratie van architectuur en techniek te zien, die Van der Steur zo na aan het hart lag.

€ 16.50 Toevoegen
Anja Tollenaar, Femke Huisman - Dirk van Sliedrecht, meubelontwerper, interieurarchitect, docent

Anja Tollenaar, Femke Huisman - Dirk van Sliedrecht, meubelontwerper, interieurarchitect, docent

Net als ontwerpers zoals Friso Kramer, Benno Premsela, en Hein Stolle drukte Dirk van Sliedregt in de eerste twee decennia vanaf Tweede Wereldoorlog een stempel op de vormgeving in Nederland. Hij had zich ontwikkeld van timmerman tot meubelontwerper en interieurarchitect. Zijn nuchtere functionele ontwerpopvatting werd gevoed door religie en filosofie. Het humane karakter, de dienende kwaliteit en het gebruiksnut van meubelen, interieurs en gebouwen stonden bij hem voorop. Daarmee hield hij ñ in zijn ontwerpen en in zijn docentschap – vast aan het traditionele, ambachtelijke ontwerpproces, in een periode dat het industriÎle massaproduct werd omarmd door de meeste ontwerpers, fabrikanten en belangenverenigingen. Hij wist een groot publiek te bereiken met stoelmodellen die vooral in Goed Wonen kringen werden gewaardeerd. De combinatie van rotan met staal die Van Sliedregt als eerste toepaste, exclusief voor de firma Gebroeders Jonkers, betekende een belangrijke technische vernieuwing. Nog belangrijker was zijn invloed als docent binnenhuisarchitectuur aan achtereenvolgens de Academie voor Kunst en Industrie (AKI) in Enschede, de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam (GRA) en de Christelijke Academie voor Beeldende Kunsten (CABK) in Kampen, waarvan hij tot 1987 directeur was.

€ 30.00 Toevoegen
Arjen van de Pijpekamp m.m.v. Bregit Jansen - A. Eibink (1893-1975) en J.A. Snellebrand (1891-1963). De lange weg van de Amsterdamse School tot Forum

Arjen van de Pijpekamp m.m.v. Bregit Jansen - A. Eibink (1893-1975) en J.A. Snellebrand (1891-1963). De lange weg van de Amsterdamse School tot Forum

De architecten Adolph Eibink (1893-1975) en Jan Antonie Snellebrand (1891-1963) werkten van 1916 tot 1949 met elkaar samen, waarna zij hun wederzijdse carriËres ieder apart voortzetten, Eibink als zelfstandig architect en Snellebrand vooral als docent en vervolgens directeur aan de Academie van Bouwkunst. Met hun eerste gezamenlijke ontwerp uit 1916, van een zeer expressieve kerk in Amsterdamse School-stijl voor het dorp Elshout, zouden ze internationale bekendheid verwerven. De kerk, die nooit werd uitgevoerd, is in veel overzichtsliteratuur te vinden als voorbeeld van de architectuur van de Amsterdamse School en het internationale expressionisme. Het wonderlijke van hun samenwerking is dat Eibink en Snellebrand, die elkaar op de opleidingsschool Quellinus hadden leren kennen, nogal uiteenlopende persoonlijkheden waren, terwijl ze ook in ontwerp-aanpak nogal verschilden. Iets hiervan is reeds te zien in hun uitgevoerde VARA studio in Hilversum, die van na hun Amsterdamse School-periode dateert en die een eigenzinnige mix van zakelijke en formele kenmerken laat zien. Ondanks dat zouden ze meer dan dertig jaar samenwerken en woonden ze een deel van die periode zelfs naast elkaar. In hun gezamenlijke projecten was tussen de wereldoorlogen een geleidelijke overgang te zien naar een strakke geometrische stijl met traditionele en moderne elementen. Dit is onder weer te zien in de scholen die ze in Heerlen en Hoensbroek bouwden. Een ander opmerkelijk project was hun uitbreiding van het zwembad aan de Heiligeweg in Amsterdam, dat net als de kerk voor Elshout een bijzondere integratie van constructietechniek en expressiviteit liet zien door de toepassing van een vakwerkligger met boogspant als overspanning. Met name Eibink was geïnteresseerd in de mogelijkheden van nieuwe technieken ten behoeve van een nieuwe esthetiek; hij publiceerde ook over dat onderwerp. Na de Tweede Wereldoorlog ging Eibink voort op de weg die hij al voor Elshout was ingeslagen: enkele kerken, een tweetal fabrieken voor Verkade en enkele hoogbouwblokken in Amsterdam tonen een eigentijdse integratie van constructie, organisatie en expressie. Snellebrand zette zich in voor vernieuwing van het architectuuronderwijs, maar verloor nooit de band met de actuele ontwerppraktijk. Zo werkte hij samen met de jonge Piet Blom. Snellebrands Willem Dreeshuis in Amsterdam, in het midden van de jaren vijftig ontworpen, was niet alleen een voorbeeld van een radicale vernieuwing in het denken over bejaardenhuisvesting, maar laat ook een nieuwe architectuur zien, waarin de ideeÎn van Team X en de Forumgroep reeds doorklinken.

€ 18.00 Toevoegen
Carol Schade - Jan Ernst van der Pek 1865-1919, Pionier van de volkshuisvesting

Carol Schade - Jan Ernst van der Pek 1865-1919, Pionier van de volkshuisvesting

In de periode voor het totstandkomen van de Woningwet in 1902 heeft architect Jan Ernst van der Pek (1865-1919) door onderzoek en vooruitstrevende ontwerpen verbetering weten te brengen in de woonomstandigheden van arbeiders, met name in Amsterdam. De inspanningen van Van der Pek en een kring van woninghervormers, waaronder zijn latere echtgenote Louise Went, resulteerden in een eerste blok woningen aan de Lindengracht, waarin hij zijn ideeÎn vorm wist te geven (1896). Dit bouwproject was mede bedoeld om de noodzaak aan te tonen van de invoering van een Woningwet. Dit wettelijk kader voor de volkswoningbouw is er vervolgens gekomen, gevolgd door de oprichting van enige ambitieuze woningbouwverenigingen, waaronder de Coöperatieve Woningbouwvereeniging Rochdale en de Vereeniging Amsterdamsch Bouwfonds. Van der Pek, die voornamelijk voor deze verenigingen werkte, bracht als eerste architect belangrijke verbeteringen aan in de toen gebruikelijke woningplattegronden. Tevens was hij in 1905 de eerste architect die een gemeenschappelijke tuin toepaste in een woningblok, als plaats van verpozing voor de bewoners. Belangrijke werken zijn de woningen voor de Coˆperatieve Woningbouwvereniging Rochdale aan de Van Beuningenstraat, (1908-1912) en aan de Molukkenstraat (1909-1912). Ook het Amsterdams tehuis voor Arbeiders aan de Marnixstraat (1916-1918) en de stadsuitbreiding Buiksloterham in Amsterdam-Noord, later bekend als Van de Pekbuurt, staan op zijn naam.

€ 29.50 Toevoegen
Christel Leenen m.m.v. Evelien van Es - Jos Bedaux (1910-1989). Architect

Christel Leenen m.m.v. Evelien van Es - Jos Bedaux (1910-1989). Architect

Zoals wel meer Nederlandse architecten kwam Jos. Bedaux (1919-1989) via het aannemersbedrijf van zijn vader in het vak terecht. Ook zonder formele opleiding werd hij in Noord-Brabant al snel een gezien architect die vanuit een traditionele vormentaal een eigen modern idioom ontwikkelde, blijvend gegrondvest op ambachtelijke degelijkheid. Binnen de ruimtelijke compositie van zijn werk heeft Bedaux veel aandacht voor beschutting, tot uiting komend in de toepassing van patio’s en binnenhoven, bij particuliere woonhuizen, maar ook bij openbare gebouwen. In de directe nabijheid van zijn eigen huis in Goirle uit 1937 liggen diverse door hem ontworpen landhuizen en scholen die van die zorgvuldige enscenering blijk geven. Na de Tweede Wereldoorlog werden zijn opdrachten gaandeweg groter van omvang. Hij bouwde onder meer woningbouwprojecten in Sluis en Bergen op Zoom (1946-1948), de Onze Lieve Vrouw van Fatimakerk in Tilburg (1948) en een openluchtschool in Goirle (1952-1958) Zijn belangrijkste werk vormen de gebouwen voor de Katholieke Economische Hogeschool in Tilburg die hij samen met architect J. van der Laan tussen 1952-1960 realiseerde. Dit boek is mede tot stand gekomen dankzij bijdragen van de provincie Noord-Brabant en het Prins Bernard Cultuurfonds Noord-Brabant.

€ 32.00 Toevoegen
David Geneste, Albert Gielen, Rick Wassenaar - L. van der Laan (1864-1942). J.A. van der Laan (1896-1966). Een katholieke architectenfamilie – rechtzinnig, maar veelzijdig en pragmatisch

David Geneste, Albert Gielen, Rick Wassenaar - L. van der Laan (1864-1942). J.A. van der Laan (1896-1966). Een katholieke architectenfamilie – rechtzinnig, maar veelzijdig en pragmatisch

Leo van der Laan (1864-1942) begon na een korte periode als meubelmaker in 1891 een architectenbureau in Leiden. De emancipatie van het katholieke volksdeel in de tweede helft van de negentiende eeuw ging onder andere gepaard met een grote bouwcampagne en Van der Laans bureau wist vanuit de katholieke instituties opdrachten te verwerven voor kerken, ziekenhuizen en scholen. Een andere belangrijke bron van opdrachten vormde de dynamiek van liet winkelapparaat in dezelfde periode: de markt maakte als belangrijkste goederendistributiecentrum plaats voor de winkelstraat. Dit bracht een enorme verandering in het stadsbeeld teweeg: uitstalkasten in de vorm van uitspringende vensters en transparante puien – Leo van der Laan speelde een grote rol in de transformatie van het Leidse gevelbeeld. Hij was opgeleid in de neogotische trant, die in katholieke kring veel aanhang vond, maar bediende zich ook van neoclassicistische en naderhand ook van Jugendstil- en Amsterdamse School-elementen. Drie zoons van Leo van der Laan zouden eveneens naam maken in de architectuur. Dom Hans van der Laan ontwikkelde zich tot een internationaal befaamd theoreticus en werkte als architect vaak samen met zijn broer Nico. In deze publicatie komt naast Leo vooral zijn zoon Jan aan de orde, die vanaf 1921 nauw met zijn vader zou samenwerken. Hun gezamenlijke bureau verwierf nationale bekendheid door het winnen van de Eindhovense stadhuisprijsvraag in 1938. Jan van der Laan studeerde cum laude af aan de TH Delft en onderhield vanaf zijn studietijd een hechte band met zijn hoogleraar M. J. Granpré Molière, die een eenvoudige en in de traditie gegrondveste architectuur voorstond. Van der Laan toonde zich als ontwerper veelzijdig: in zijn jonge jaren zien we een orthogonale, expressionistische stijl, later zou hij onder invloed van Kropholler tot een romantisch traditionalisme komen. Na de Tweede Wereldoorlog doen modernere elementen hun intrede in zijn werk, mede als gevolg van zijn vele opdrachten in het kader van de Wederopbouw en de vraagstukken op het gebied van net moderne, grootstedelijke warenhuis, waarmee hij als huisontwerper voor C&A te maken had.

€ 24.00 Toevoegen
David Keuning - Piet Tauber (1927), Bouwen naar opdracht

David Keuning - Piet Tauber (1927), Bouwen naar opdracht

Pieter Hendricus (Piet) Tauber kwam op 14 april 1927 ter wereld in het Noord-Hollandse Oudorp. Zijn vader, Hendricus Tauber, had zich tijdens zijn loopbaan opgewerkt van metselaar tot opzichter en architect. Ook drie van de vijf broers van Hendricus waren de kant van het bouwvak opgegaan. Dat Piet een loopbaan als architect zou volgen, was dus op het moment van zijn geboorte al niet onwaarschijnlijk. Na zijn studie aan de Technische Hogeschool in Delft maakte Tauber met zijn praktijk ñ hij vestigde zich in Alkmaar ñ een vliegende start: een toevallige ontmoeting tijdens een huwelijk leidde in 1954 tot de opdracht voor 523 woningen in Delft. In 1959 won Tauber de prijsvraag voor de Provinciale Bibliotheek in Leeuwarden. De jonge architect vestigde een jaar later definitief zijn naam met het ontwerp voor de kanselarij van de Nederlandse Ambassade in Washington DC. In 1964 hield Tauber ñ slechts 37 jaar oud ñ zijn inaugurele rede als hoogleraar aan de Technische Hogeschool Delft. Tauber ontwikkelde zich tijdens zijn lange carriËre tot ontwerper van een groot aantal raadhuizen in Nederland, waaronder die van Doetinchem, Uden, Dronten, Houten, Voorhout, Groesbeek en Rijnwoude. Ook ontwierp hij veel andere publieke gebouwen, zoals bibliotheken in Leeuwarden en Groningen, archiefgebouwen in Zwolle en Assen en studentenwoningcomplexen in Nijmegen en Delft. Zijn motto ëBouwen naar opdrachtí leidde tot een grote verscheidenheid in functie en verschijningsvorm van zijn ontwerpen

€ 29.50 Toevoegen
David Mulder - K.P. Tholens (1882-1971) Moderne architectuur – traditionele vormen

David Mulder - K.P. Tholens (1882-1971) Moderne architectuur – traditionele vormen

e in Gouda geboren architect Karel Petrus Tholens (1882-1971) heeft voor overwegend rooms-katholieke opdrachtgevers een indrukwekkend oeuvre gebouwd, dat bestaat uit kerken, kloosters, scholen, woonhuizen en bedrijfspanden. Het zwaartepunt van zijn activiteiten lag in Amsterdam, waar hij sinds 1904 woonde. Zijn belangrijkste werken zijn tijdens het interbellum gerealiseerd: het klooster De Voorzienigheid aan de Elandstraat (1924-1926), de ChassÈkerk (1926), de monumentale Augustinuskerk (1930-1932) en de voormalige rooms-katholieke Ambachtsschool Don Bosco (1933-1935). Tholens’ naam is tevens verbonden aan twee belangrijke naoorlogse Amsterdamse kerken: de Josephkerk en de Christus-Koningkerk, ontworpen in samenwerking met respectievelijk G.H.M. Holt en H.J. van Balen. ‘Modern maar niet modernistisch’ oordeelden tijdgenoten over Tholens bijzondere ontwerp voor de ChassÈkerk in Amsterdam-West, een stempel dat op vrijwel al zijn gebouwen van toepassing is. Tholens sloot zich niet aan bij de belangrijkste architectuurstromingen van zijn tijd zoals de Amsterdamse of Delftse School. Sobere, geabstraheerde vormen kenmerken zijn hoofdzakelijk in baksteen opgetrokken scheppingen, waarin hij bovendien al vroeg op grote schaal experimenteerde met moderne bouwmaterialen en bouwtechnieken.

€ 29.50 Toevoegen
Dorothée C. Segaar-Höweler - J.M. Groenewegen (1888-1980). Een Hagenaar als Indonesisch architect

Dorothée C. Segaar-Höweler - J.M. Groenewegen (1888-1980). Een Hagenaar als Indonesisch architect

Om de economische malaise in Nederland te ontvluchten hief architect Han Groenewegen in 1927 zijn Haagse architectenpraktijk op en vertrok hij naar Medan in liet toenmalige Nederlands-Indië, nadat hij van een relatie had gehoord dat daar bouwplannen voor een ziekenhuis bestonden. Op een kort verblijf na de Tweede Wereldoorlog in Nederland na, zou hij de rest van zijn leven in Indonesië blijven, waar hij een belangrijke rol speelde bij de vooroorlogse ontwikkeling van Medan. Met de enorme, monumentale bioscooptheaters, waarmee hij in de jaren ’50 in IndonesiÎ de toon voor dit gebouwtype zette, leverde hij een bijdrage aan de introductie van de film als massamedium in zijn tweede vaderland. Ook was Groenewegen er actief in het maatschappelijk leven, hij was lid van de schoonheidscommissie van Jakarta, actief als docent in het architectuuronderwijs en voltooide een manuscript over de geschiedenis van de Oostaziatische bouwkunst. Zijn hele carriËre bleef Groenewegen ook de Nederlandse architectuurontwikkeling op de voet volgen, wat in zijn architectonisch handschrift duidelijk zichtbaar is. Herkenbare inspiratiebronnen zijn met name de Amsterdamse School, bijvoorbeeld in de kerk te Medan (1928) met zijn paraboolvormige daken, de strakke-orthogonaal geometrische stijl van architecten als Wils, J.F. Staal en Dudok, zoals in het stadhuisontwerp voor Medan (1940) en, in een geheel eigen variant op deze stijl, in de naoorlogse bioscopen. Zijn zwembad in Medan (1939) Iaat een sierlijk modernisme zien, zoals in Bijvoet en Duikers Hotel Gooiland, terwijl de uitbreiding van liet St. Elisabethziekenhuis in Medan (1963) met zijn opvallende betonnen gevel brutalistische trekken vertoont en een cultureel centrum (1953) als luchtig vliesgevelgebouw met opgeheven dak is ontworpen. Gaandeweg werden ook Aziatische elementen in zijn werk opgenomen, zoals in het prijswinnende ontwerp voor de moskee Mesdjid Istiglal (1955) in Jakarta.† Groenewegen bleef ook in moeilijke tijden in IndonesiÎ en associeerde zich in 1956, toen Nederlanders daar geen bedrijf meer mochten uitoefenen, met de Indonesische architect Frits Silaban. Pas in de jaren zestig werd hij weer onder eigen naam actief. In 1980 overleed Groenewegen in het door hemzelf ontworpen (1955-1961) Sumber Waras ziekenhuis in Jakarta.

€ 12.00 Toevoegen
Els van der Laan-Meijer, Willemieke Ottens - Roodbaards Rijkdom, landschapsparken in Noord-Nederland: Friesland, Groningen, Drenthe

Els van der Laan-Meijer, Willemieke Ottens - Roodbaards Rijkdom, landschapsparken in Noord-Nederland: Friesland, Groningen, Drenthe

Lucas Pieters Roodbaard (1782-1851) was architect van buitens in de drie noordelijke provincies Drenthe, Groningen en Friesland, waar hij ook woonde en werkte. Hij is als ÈÈn van de eerste tuinarchitecten uit die tijd verantwoordelijk voor de landschappelijke aanleg van tuinen en parken in de noordelijke provincies. De overgang van de formele naar de landschappelijke aanleg van parken was bepalend voor zijn werk. De ruim 35 tekeningen die bewaard zijn gebleven, geven blijk van zijn ontwerpgedachten. De toelichtende teksten op de tekeningen zijn de enige verwijzingen van zijn hand die nog bewaard zijn gebleven. De landschapsparken die in de periode 1800-1850 in de noordelijke provincies zijn aangelegd, vormen een zeer waardevol en samenhangend erfgoed. Vele parken zijn verdwenen, maar gelukkig is het gehele palet van zijn werken nog (deels) zichtbaar, zoals: de stadsparken op de bolweken in Leeuwarden en Harlingen, de Algemene Begraafplaats in Leeuwarden, vele buitenplaatsen op de overgang van zand en veen naar kleigronden en stadstuinen in Assen, Groningen en Leeuwarden.

€ 30.00 Toevoegen
Esther Prook - J.H.W. Leliman (1878-1921). Architect en publicist

Esther Prook - J.H.W. Leliman (1878-1921). Architect en publicist

J.H.W. Leliman (1878-1921) is de architect die in 1912 voor het eerst het idee voor een architectuurmuseum lanceerde. Leliman, die reeds op 41-jarige leeftijd overleed, was gedurende zijn korte carriëre buitengewoon actief, zowel als architect als op cultureel en maatschappelijk terrein. Zijn gebouwde oeuvre telt een kleine tweehonderd werken. Daarnaast schreef hij een aantal boeken en honderden artikelen. Hij was oprichter van de Bond Heemschut, bestuurslid van de ANWB (voor welke instelling hij onder andere de bekende `paddestoel’ ontwierp), richtte toen zijn pleidooi voor een architectuurmuseum niet onmiddellijk tot resultaat leidde een Instituut voor Bouwkunst op en redigeerde gedurende het grootste deel van zijn carriëre een eigen architectuurtijdschrift. In zijn architectonische werk ligt het zwaartepunt op de woningarchitectuur. Hij ontwierp vele tientallen villa’s en stadswoonhuizen. Tegelijkertijd was Leliman een van de pioniers op het gebied van de volkshuisvesting. Leliman was een maatschappelijk bewogen, maar ook een zeer praktisch ingesteld man, die als ontwerper wars van monumentaliteit en effectbejag was en voor iedereen naar het maximaal haalbare wooncomfort streefde. 0ok in zijn eerdergenoemde activiteiten streefde hij naar een vermaatschappelijking van de architectuurpraktijk. Met zijn tijdschrift De Bouwwereld en het Instituut voor Bouwkunst richtte hij zich niet alleen tot de vakgenoten, maar tot een breed publiek van belangstellenden. Architectuur diende voor hem altijd bij te dragen tot een groter geheel, de kwaliteit van de totale omgeving. De omgeving die hij met Heemschut tegen aantasting wilde beschermen en met de ANWB voor iedereen toegankelijk wilde maken.

€ 11.00 Toevoegen
Evelien van Es - Willem Wissing, stedebouwkundige (1920-2008)

Evelien van Es - Willem Wissing, stedebouwkundige (1920-2008)

Stedenbouwkundige Willem Wissing (1920-2008) neemt in de naoorlogse ontwikkeling van onze ruimtelijke omgeving een vooraanstaande plaats in. Wissings interesse ging in eerste instantie uit naar volkshuisvesting, maar zijn leermeester Willem van Tijen herkende in hem een groot stedenbouwkundig talent. In dienst van Van Tijen werkte Wissing aan uitbreidings- en structuurplannen voor Rotterdam, Vlaardingen en Velsen, waardoor hij zich al vroeg in zijn carriÎrre in de stedenbouwkunde bekwaamde. Het bureau dat Wissing in 1955 oprichtte, had zowel een bouwkundige als een stedenbouwkundige afdeling. Als architect richtte hij zich op volkshuisvesting; van zijn keuzeplanwoning werden er circa 2000 gebouwd. In de loop van de jaren zestig verlegde Wissing zijn aandacht naar stedenbouw en ruimtelijke ordening; hij ontwierp uitbreidingsplannen en maakte structuurplannen voor stads- en streekgewesten. Bovendien werd hij de vaste adviseur van veel gemeenten. Deze publicatie is de integrale beschrijving van Wissings oeuvre en beoogt de plaatsing ervan in de context van de wederopbouw en de naoorlogse ruimtelijke ordening van Nederland.

€ 31.50 Toevoegen
Eveline Holsappel - Ida Falkenberg-Liefrinck (1901). De rotan stoel als opmaat voor een betere woninginrichting

Eveline Holsappel - Ida Falkenberg-Liefrinck (1901). De rotan stoel als opmaat voor een betere woninginrichting

Ida Falkenberg-Liefrinck was een van de weinige vrouwen die een actieve rol hebben gespeeld in de kringen van de architecten van het Nieuwe Bouwen. Zij is vooral bekend geworden door de ontwikkeling en propaganda van de rotan stoel. Deze stoel, waarvan zij in de jaren dertig verschillende varianten ontwierp, zou pas na de Tweede Wereldoorlog op ruime schaal een plaats in het Nederlandse interieur veroveren. Het experimenteren met nieuwe meubelvormen, waartoe zij bij Metz & Co. in Amsterdam royaal de mogelijkheid kreeg, heeft bij Ida Falkenberg-Liefrinck steeds in het teken gestaan van een verlangen de minder bedeelde bevolkingsgroepen een goede, plezierige woning te bieden. Haar aandacht ging daarbij uit naar het groeiend aantal alleenstaande vrouwen dat zich in de crisisjaren met kamers en kamertjes in onderhuur moest behelpen. Steeds heeft Ida Falkenberg-Liefrinck erop gewezen dat de moderne stedenbouw en de bouw van moderne en functionele woningen geen blijvend effect zouden hebben als niet tegelijkertijd een totale maatschappelijke heroriÎntatie zou plaatsvinden. Met haar onverzoenlijke standpunten heeft zij een polariserende rol gespeeld in de discussies over de rol van schoonheid in de architectuur die in 1938 uiteindelijk tot een scheuring binnen de architectengroep ‘De 8 en Opbouw’ heeft geleid. Na de Tweede Wereldoorlog koos Ida Falkenberg-Liefrinck voor een leven in de toenmalige communistische DDR. Zij heeft daar nog verscheidene projecten gerealiseerd. De interieurarchitecte overleed in Berlijn in 2006 op 105-jarige leeftijd.

€ 16.00 Toevoegen
Gerrit de Vries, Dorothée Segaar-Höweler - Henri Maclaine Pont (1884-1971), Architect, constructeur, archeoloog

Gerrit de Vries, Dorothée Segaar-Höweler - Henri Maclaine Pont (1884-1971), Architect, constructeur, archeoloog

Met een handvol aansprekende gebouwen verrijkte Maclaine Pont tussen 1910 en 1940 de westerse architectuur in IndonesiÎ, het toenmalige Nederlands-IndiÎ. Hij voelde affiniteit met de inlandse bouwtraditie en was van mening dat die verder ontwikkeld kon worden. Hij bereikte in zijn ontwerpen volstrekt oorspronkelijke resultaten, waarin waardevolle elementen van het inlands bouwen de inspiratie waren voor een architectuur en constructie die aan westerse maatstaven beantwoordde. De in Batavia (Jakarta) geboren Maclaine Pont voltooide in 1909 zijn studie bouwkunde aan de Polytechnische school in Delft. Studiegenoten waren ondermeer Th. Karsten en M.J. GranprÈ MoliËre. Met een gedegen ontwerp voor het hoofdkantoor van de Semarang-Cheribon-Stoomtram Maatschappij (SCS) te Tegal in 1911 vestigde Maclaine Pont zijn naam in IndiÎ. Later ontwierp hij ondermeer de gebouwen van de Technische Hogeschool Bandung in 1919, die nu nog als bijzonder gelden. In vorm en materiaal ogen zij Indisch, in constructie zijn ze doelmatig en expressief. Midden jaren twintig woedde in architectenkringen in IndiÎ een scherp discours over de eigenheid van de inlandse bouwkunst, die door Maclaine Pont verdedigd werd tegenover degenen die deze bouwtraditie minderwaardig of een doodlopend spoor vonden. Juist zijn fascinatie met die bouwtraditie bracht hem al experimenterend tot de ontwikkeling van gespannen dakconstructies, waarmee hij een uniek pionier op dit gebied was. Zijn experimenten met geavanceerde dakconstructies zijn te vergelijken met empirisch werk van P.L. Nervi, J. ProuvÈ, Fr. Otto en anderen, de meesten van later tijd. De belangrijkste voorbeelden van zijn bijzondere constructies realiseerde Maclaine Pont in Trawulan (1931) op Oost-Java, waar een grote hoeveelheid door hem opgegraven archeologische vondsten in een veldmuseum werd ondergebracht. In zijn kerk van het Heilig Hart te Puhsarang (1937) paste hij een vergelijkbare dakconstructie toe, die zeer economisch was, bestand was tegen stormen en aardbevingen en die met een ranke ondersteuning veelzijdig gebruik toeliet. Met zijn archeologische opgravingen bracht Maclaine Pont vrijwel in zijn eentje de resten van het voormalige 16e eeuwse rijk van Majapahit in kaart. Zijn betekenis als erfgoedbehoeder wordt in IndonesiÎ dan ook zeer op waarde geschat. Na de Tweede Wereldoorlog zou Maclaine Pont in Nederland zich toeleggen op de verdere ontwikkeling van evenwichtzoekende dakconstructies van nog veel grotere omvang, waarvoor hij diverse patenten verwierf, zonder dat dit tot gebouwde resultaten leidde.

€ 23.50 Toevoegen
Han Timmer - Henri Evers (1855-1929). architect, geschiedschrijver, hoogleraar

Han Timmer - Henri Evers (1855-1929). architect, geschiedschrijver, hoogleraar

Henri Evers (1855-1929) staat vooral bekend als de architect van het stadhuis van Rotterdam, een van de sprekendste voorbeelden van klassieke Beaux-Arts-architectuur in Nederland en een hoogtepunt van eclecticisme door de toepassing van de vele verschillende stijlen. Daarnaast heeft Evers andere ontwerpen op zijn naam staan, zoals de Remonstrantse kerk en het Calandmonument in Rotterdam, de kerk van de Nederlandse protestantenbond in Schiedam, villa’s en een aantal prijsvraagontwerpen. Evers’ plaats in de Nederlandse architectuur wordt tevens bepaald door zijn jarenlange en invloedrijke onderwijs, eerst als hoofddocent aan de academie in Rotterdam en vervolgens als hoogleraar schone bouwkunst aan de Technische Hogeschool in Delft. Generaties Nederlandse architecten leerden van Evers de geest van het kunstenaarschap en de principes van de klassieke traditie. In de monografie wordt voor het eerst, voor een groot gedeelte aan de hand van nog niet eerder gepubliceerde ontwerptekeningen, het oeuvre van Evers bijeengebracht en in zijn architectuurhistorische context geplaatst. Verder worden zijn opvattingen over architectuur geanalyseerd en toegelicht en het belang van zijn onderwijs gekarakteriseerd. Hieruit ontstaat een boeiend beeld van een veelzijdig en geïnspireerd architect, geschiedschrijver en leermeester.

€ 5.00 Toevoegen
Hans Willem Bakx - J.W.C. Boks, Architect (1934-1986)

Hans Willem Bakx - J.W.C. Boks, Architect (1934-1986)

Ir. J.W.C. Boks (1904-1986) was een Rotterdamse architect die in de stad zelf vooral bekend is geworden door zijn Bouwcentrum (1948 e.v.). Ofschoon geen typische wederopbouwarchitect – Boks hield zich bijvoorbeeld nauwelijks bezig met volkswoningbouw – ontwierp hij wel een van de beeldbepalende gebouwen van deze periode: het Delta Hotel in Vlaardingen (1951-1955), dat internationaal furore maakte. Bekend werd hij ook door zijn plan voor het Nederlandse paviljoen op de befaamde Expo ’58 te Brussel en het destijds ultramoderne Holy Ziekenhuis te Vlaardingen (1954-1964).
Naast groot- en veelbouwers in het naoorlogse Rotterdam als H. Maaskant, E. Groosman, H.D. Bakker en de gebroeders Kraaijvanger was het bureau Boks betrekkelijk klein, maar muntte uit door creativiteit en eigenzinnigheid. Geplaagd door gezondheidsproblemen, moest Boks al op zijn zestigste van dit bureau afscheid nemen. Hoewel hem niet vele actieve jaren waren gegund, heeft hij toch een divers oeuvre van een geheel eigen kwaliteit op zijn naam gebracht. Het omvat naast hotels vooral woonhuizen, kantoren en bedrijfsgebouwen. Een deel van dit oeuvre is inmiddels gesloopt of onherstelbaar veranderd.

€ 29.50 Toevoegen
Hans Willem Bakx - Jan Frederik Staal (1897-1940) De wil van het gebouw en de wil van de tijd

Hans Willem Bakx - Jan Frederik Staal (1897-1940) De wil van het gebouw en de wil van de tijd

Jan Frederik Staal (1879-1940) was een van de vooraanstaande Nederlandse architecten uit de periode tussen de beide wereldoorlogen. Anders dan collega’s als Berlage met de Amsterdamse Beurs en Dudok met het Raadhuis in Hilversum, wordt zijn naam niet geassocieerd met één enkel gebouw. Waarschijnlijk is hij nog het bekendst om de torenflat aan het Amsterdamse Victorieplein (1926-1932), die al spoedig ‘De Wolkenkrabber’ ging heten, destijds het hoogste woongebouw van Nederland. Zoals Staals laatste ontwerp, De Beurs in Rotterdam (1926-1940), het bedrijfsgebouw werd met toentertijd de grootste vloeroppervlakte van ons land. Toch was Staal geen man van het grote gebaar. Zijn werk – dat winkel- en kantoorgebouwen, woonhuizen en volkswoningbouw, een bloemenveiling, een verpleeginrichting en een kerk omvat, naast (onuitgevoerde) ontwerpen voor raadhuizen, warenhuizen en een Opera – kenmerkte zich juist door verfijning, een gedreven perfectionisme. Daarbij was Staal steeds bereid het vertrouwde en eenmaal bereikte op te geven en nieuwe wegen te verkennen. Dat maakt zijn oeuvre, relatief klein gebleven door zijn vroege overlijden, gevarieerd en bijzonder. Een aanzienlijk deel heeft inmiddels de status verworven van gemeente- of rijksmonument. Tot Staals belangrijkste gebouwen behoren, behalve de al genoemde, een woningblok aan de J.M. Coenenstraat, het pand van voorheen De Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal en de voormalige Joodsche Invalide (nu GGD) aan het Weesperplein, alle in Amsterdam. Het boek Jan Frederik Staal (1879-1940 De wil van het gebouw en de wil van de tijd brengt Staals werken, voor het eerst in hun geheel, in kaart en is voorzien van ruim 225 illustraties, merendeels niet eerder gepubliceerd.

€ 29.50 Toevoegen
Harry Broekman, Madeleine Lim - Elmar Berkovich. Meubelontwerper en interieurarchitect 1897-1968

Harry Broekman, Madeleine Lim - Elmar Berkovich. Meubelontwerper en interieurarchitect 1897-1968

Elmar Berkovich (1897-1968) was een toonaangevend meubelontwerper en interieurarchitect in Nederland in de periode 1925-1965. Vóór de Tweede Wereldoorlog was hij in dienst van de firma Metz & Co in Amsterdam, daarna bij Philips in Eindhoven. Bij zijn interieuropdrachten voor grote complexen zoals fabrieken, kantoren en ziekenhuizen ging zijn aandacht vooral uit naar de ambiance, de verlichting en het kleurgebruik. Zijn meubels dragen onmiskenbaar een eigen stempel, door hun comfort, hun deugdelijke constructie en toepassing van hoogwaardige materialen. Ook ontwierp hij een groot aantal stoffen. In publicaties onderstreepte Berkovich het belang van kennis bij ontwerpers van het productieproces in de meubelindustrie en de betekenis van kleur voor de beleving van het interieur.

€ 29.00 Toevoegen
Iris van der Horst m.m.v. David Geneste - J. Verheul Dzn. (1860-1948). Voor iedere periode, locatie of functie een passend ontwerp

Iris van der Horst m.m.v. David Geneste - J. Verheul Dzn. (1860-1948). Voor iedere periode, locatie of functie een passend ontwerp

Het treurigste gevoel dat ik ken is de weg te weten in een gebouw dat niet meer bestaat’. Deze uitspraak van Rudy Kousbroek is bij uitstek van toepassing op de Rotterdamse architect Johannes Verheul Dirkzoon (1860-1948) van wiens oeuvre door het bombardement op Rotterdam en door sloop nu nog maar de helft over is. Aanvankelijk opgeleid tot architect-timmerman bij zijn vader, ontwikkelde Verheul tijdens zijn studie in Delft een duidelijke voorkeur voor de `Delftse renaissance’ en de Duitse architectuurtheorie zoals gepropageerd door de eerste hoogleraar bouwkunde, Eugen Gugel. In 1884 ontving Verheul zijn eerste opdracht niet de prestigieuze ‘Groote Schouwburg’ in het centrum van Rotterdam. Na een prijsvraag, die tot felle discussies leidde, bouwde hij de Grote ‘Koninklijke’ kerk te Apeldoorn en vervolgens tal van luxueuze heren- en buitenhuizen. Onder invloed van nieuwe ontwikkelingen in binnen- en buitenland, kwam Verheul rond de eeuwwisseling met een eigen variant op liet Berlagiaanse modernisme. Ook flirtte hij kort maar intensief met de nieuwe Jugendstil, waarvan het verzekeringsgebouw `De Utrecht’ een uitbundig hoogtepunt in de Nederlandse architectuur vormde. Tevens werd Verheul gevraagd zijn ideeÎn over het moderne protestantse kerkgebouw in twee Haagse kerken vorm te geven en ontwierp hij bedrijfs- en kantoorgebouwen in een zakelijke, strenge vormentaal. Behalve als architect was Verheul bij de architectuurdiscussie betrokken als voorzitter van tal van beroepsverenigingen en als mederedacteur van het Bouwkundig Weekblad, en jureerde hij voor tal van nationale en internationale prijsvragen. Daarnaast trachtte Verheul in zijn functie als Rotterdams gemeenteraadslid van de snel veranderende Maasstad een `welgevormde’ metropool te maken, die ook het grootse verleden zou blijven uitstralen. De laatste jaren van zijn besteedde Verheul grotendeels aan het vastleggen van dit historische Rotterdam. Een omvangrijke collectie hoeken, artikelen en waterverftekeningen van zijn hand geven een uniek beeld van de verdwenen Maasstad. Dit alles maakt Verheul meer dan een architect die werkte op de vermeende scheidslijn tussen historiserende en moderne architectuur; Verheuls geschriften, ontwerpen en prominente rol in liet stadsleven schetsen het beeld van een veelzijdig en bevlogen ambachtsman, gehecht aan tradities maar zeker niet schuw van vernieuwingen.

€ 16.00 Toevoegen
Joosje van Geest - F.C.J. Dingemans 1905-1961, Stadsarchitect van Maastricht

Joosje van Geest - F.C.J. Dingemans 1905-1961, Stadsarchitect van Maastricht

F.C.J. Dingemans is vooral bekend geworden als stadsarchitect van Maastricht. In de periode 1942-1961 heeft hij de wederopbouw en de verdere stadsuitleg vormgegeven en begeleid. De naoorlogse stedenbouw werd gedomineerd door de verwetenschappelijking van het vak. Planning werd verheven tot een essentieel middel voor de opbouw van de welvaartstaat. In Maastricht kreeg dit onder meer gestalte in de krans van parochiewijken op de westelijke oever van de stad die fraai met het landschap en de bestaande structuren zijn verweven. In het boek wordt uitvoering ingegaan op de achtergronden van deze ontwikkeling maar ook op de problematiek om deze inmiddels 50 jaar oude wijken bewoonbaar te houden. Ook de renovatie van het befaamde Stokstraatkwartier komt aan bod.

€ 29.00 Toevoegen
Josi Smit m.m.v. Radboud van Beekum

Josi Smit m.m.v. Radboud van Beekum

J.D. Zocher jr. was een buitengewoon productief architect en tuinarchitect. Zijn klantenkring bestond uit gemeentebesturen van grote en kleinere Nederlandse steden, rijke kooplieden, bankiers en andere invloedrijke personen, adellijke families en leden van de Koninklijke familie. Naast verschillende grote en bekende werken zoals het Vondelpark en de Koopmansbeurs in Amsterdam, de singelplantsoenen in Utrecht en Haarlem en Het Park in Rotterdam, heeft hij ook tientallen buitenplaatsen van welgestelde families ontworpen, veelal in de duinstreek of de Utrechtse Heuvelrug gelegen. Zocher ontwierp zijn gebouwen in neoclassicistische stijl, die in zijn tijd zeer populair was, maar later uit de gratie raakte. Mede daarom zijn veel van Zochers gebouwen gesloopt of verbouwd. De landschapsstijl die Zocher in zijn tuinontwerpen hanteerde maakte gebruik van een reeks beeldmiddelen die kenmerkend zijn voor zijn werk: om grote waterpartijen werden wandelingen aangelegd, en werd afwisseling aangebracht tussen open en gesloten elementen en tussen licht en donker: na een stukje bos kwam een weids uitzicht, soms op een stad of dorp in de verte, of op een andere buitenplaats. Donkere boomgroepen werden vaak in een licht weiland gezet. Begin en eindpunt van waterpartijen werden verdoezeld in zogeheten bronbosjes en leken mede door hun slingerend verloop geen einde te kennen. Van Zochers landschapsparken is nog veel terug te vinden, al is het daarbij moeilijk te bepalen hoeveel er nog in originele staat verkeert. Sommige parken zijn goed onderhouden, maar bij vele zijn in de loop van de jaren zichtlijnen en doorkijkjes dichtgegroeid. Maar wat ervan over is, is vaak zeer de moeite waard: bomen van soms meer dan 150 jaar oud en oude tuingebouwtjes maken veel verwaarlozing goed. Zochers ontwerpen voor diverse begraafplaatsen is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van een funeraire cultuur in Nederland. Opdrachtgevers waren gemeentelijke besturen. De algemene begraafplaatsen van Utrecht, Zutphen, Doesburg, Alkmaar, Heemstede, Haarlem en Amsterdam (Zorgvlied) zijn door Zocher ontworpen. Verder ontwierp hij een bijzonder grafmonument in Egmond aan Zee (Het Van Speyk monument) en een graftombe voor de familie Van Nellesteyn in Leersum.

€ 27.50 Toevoegen
Judy den Dikken - Liem Bwan Tjie (1891-1966). Westerse vernieuwing en oosterse traditie

Judy den Dikken - Liem Bwan Tjie (1891-1966). Westerse vernieuwing en oosterse traditie

De Chinese architect Liem Bwan Tjie (1891-1966), opgeleid in Nederland, Frankrijk en China, heeft het grootste deel van zijn carrière in het voor- en naoorlogse Indonesië gewerkt. Liem was in Semarang opgegroeid als lid van de door het Nederlandse koloniale bewind als `vreemde Oosterlingen’ beschouwde Chinese minderheid, aan wie grondbezit en officiÎle functies waren ontzegd. Liem’s ouders waren welgestelde textielhandelaren, die de mogelijkheid hadden hun zoon in Nederland te laten studeren. Van omstreeks 1910 tot 1924 verbleef Liem in Nederland, waar de middelbare school en de MTS volgde en enkele jaren Bouwkunde aan de TH Delft studeerde. In 1924 vertrok hij naar Parijs, aangetrokken door het intellectuele en artistieke klimaat aan de Ecole des Beaux Arts. In 1926 vertrok hij naar Peking, waar hij zijn architectenopleiding aan de Yenching Universiteit voltooide en vervolgens als ingenieur-architect in overheidsdienst trad, waar hij zich bezighield niet de houw van bruggen in Shaokan in de provincie Kwangtung. Veel Indonesische jongeren van Chinese afkomst zagen in China, waar in 1911 een revolutie een einde aan het keizerrijk had gemaakt, een nieuwe toekomst. In 1929 keerde Liem echter terug naar Indonesië; de situatie in China, dat in een opeenvolging van staatsgrepen terecht kwam en waar plaatselijke `war lords’ de bevolking terroriseerden, was te onveilig geworden. In Nederland had Liem praktijkervaring opgedaan op de bureaus van B.J. Ouëndag, M. de Klerk, Gulden en Geldmaker en Ed. Cuypers. In Nederland vond hij tevens de gelegenheid om zich meer te verdiepen in zijn Chinese culturele achtergrond. Tijdens zijn jaren aan de TH Delft was hij lid van de Chinese studentenvereniging Chung Hua Hui. Liem zou zijn hele carrière trachten een brug te slaan tussen de moderne westerse architectuur en de Chinese traditie. Terwijl de westerse traditie op natuurbeheersing gericht is, is de Chinese traditie meer gebaseerd op respect voor de natuur en aanpassing daaraan. Veel van zijn werk kenmerkt zich door een strak en zakelijk expressionisme, waarbij altijd veel aandacht is voor een geleidelijke overgang van buiten naar binnen door middel van veranda’s en terrassen. In zijn woonhuizen gebruikt hij soms traditionele vormen, zoals de hoogopgaande kappen met veel overstek, waarbij zich meteen onder de kap een bandvenster bevindt, zodat de kap lijkt te zweven. Liem paste dikwijls decoratieve motieven in zijn werk toe; vaak zijn dat gestileerde Chinese karakters. Hij nam het liefst het totale interieurontwerp in zijn werk mee en ook alle meubels, woningtextiel, enz. In het interieur vinden we vaak bijzondere kleurencombinaties; Liem’s meubels zijn vaak strakke versies van traditionele Chinese meubels.

€ 16.50 Toevoegen
Juliette Roding, Thalita van Dijk - J.C. van Epen (1880-1960). Van villabouw tot volkshuisvesting

Juliette Roding, Thalita van Dijk - J.C. van Epen (1880-1960). Van villabouw tot volkshuisvesting

Johannes Christiaan van Epen (1880-1960) heeft in de eerste decennia van deze eeuw een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van grote complexen arbeiders- en middenstandswoningen in de nieuwe uitbreidingen van Amsterdam. Desalniettemin is zijn werk, dat stilistisch een eigen plaats inneemt tussen enerzijds de architectuur van Berlage en anderzijds die van de Amsterdamse School, minder bekend dan dat van veel van zijn tijdgenoten. In de eerste periode van zijn loopbaan was Van Epen, die in een socialistisch milieu was opgegroeid, vooral actief als ontwerper van villa’s en landhuizen. In 1910 kwamen in Amsterdam zijn eerste woningbouwprojecten tot stand. Vanaf dat moment bewoog zijn carriËre zich tussen deze twee uitersten: villabouw en volkshuisvesting. Zijn plattegronden waren zo innovatief dat hij juist vanwege dit aspect bij projecten van Berlage betrokken werd. De architectuurvan de villa’s en landhuizen die hij in het Gooi en elders bouwde vormde steeds een belangrijk referentiekader voor zijn volkswoningbouw, hetgeen onder meer tot uitdrukking kwam in de door hem in talloze variaties toegepaste erkers, steunberen, vorm en indeling van de vensters, het kleurgebruik en de royale groenvoorziening. Met zijn aandacht voor een goede keuken, een functionele en hygiÎnische woninginrichting, liep hij vooruit op de ideeÎn van de architecten van de Nieuwe Zakelijkheid. Een derde belangrijke categorie vormen zijn ontwerpen voor kindervakantietehuizen, jeugdherbergen, verenigingsgebouwen, en zijn nooit gerealiseerde projecten voor collectieve woongebouwen, met veel gemeenschappelijke voorzieningen tegen een lage huurprijs.

€ 13.00 Toevoegen
L. van Grieken, P.D. Meijer, A. Ronger - Harry Elte Phzn (1880-1944). Architect van de Joodse gemeenschap tijdens het interbellum

L. van Grieken, P.D. Meijer, A. Ronger - Harry Elte Phzn (1880-1944). Architect van de Joodse gemeenschap tijdens het interbellum

Harry Elte Phzn. (1880-1944) is vooral bekend als architect van de synagoge aan het Jacob Obrechtplein in Amsterdam. Dit monumentale gebouw uit 1927-í28, met zijn zorgvuldig vormgegeven en kleurrijke interieur, vormt een hoogtepunt in het oeuvre van de architect. De íObrechtsjoelí, sterk beïnvloed door de stijl van Frank Lloyd Wright, is een van de belangrijkste Nederlandse synagogen uit het interbellum. Gedurende deze hele periode speelde Elte een belangrijke rol bij de totstandkoming van gebouwen met een joods-rituele functie in Amsterdam. Hij bouwde en verbouwde nog vele synagogen – o.a. die aan de Nieuwe Molstraat en Den Haag en aan de Springweg in Utrecht waren van zijn hand – en werkte ook op joodse begraafplaatsen in Diemen en Muiderberg. Nederland maakte na de Eerste Wereldoorlog een periode van relatieve welvaart door, waar het joodse volksdeel van meeprofiteerde. Velen verlieten hun huis in de oude Jodenbuurten en vestigden zich in nieuwe stadsdelen. De talentvolle Elte wist in te spelen op de vraag naar nieuwe gebouwen met een religieuze functie en naar woonhuizen in deze stadsdelen. Hij werkte voor particuliere opdrachtgevers, maar trad ook als projectontwikkelaar op. Zo bouwde hij verschillende villaís in Amsterdam-Zuid, zomerhuizen in Blaricum en Huizen en een wooncomplex in Amstelveen. Daarnaast omvat zijn oeuvre diverse clubgebouwen, een stadion, ziekenhuizen en bedrijfspanden. Drie architectuurstromingen hebben Elte beÔnvloed, achtereenvolgens de school van Berlage, de Amsterdamse School en het internationale expressionisme. Hij wilde echter nooit een exponent van een bepaalde stroming worden en stelde zich onafhankelijk op. Dit blijkt ook uit zijn lidmaatschap van de kunstenaarsvereniging íDe onafhankelijkení en zijn betrokkenheid bij het Nederlandsch Instituut van Architecten, dat zich niet aan ideologieÎn of stromingen wilde binden en zich als tegenhanger van de BNA opstelde. Elte was een talentvol ontwerper, maar zeker geen voorloper. Zijn stijl ontwikkelde zich met de mode van de tijd en de smaak van zijn welgestelde opdrachtgevers mee. In zijn oeuvre zijn geen gedurfde experimenten te vinden. Daarentegen straalt zijn werk degelijkheid en rijkdom uit. Veel aandacht is besteed aan de integratie van glas-in-lood, tegelwerk, betimmering en meubilair. Het werk van Elte is kenmerkend voor een belangrijk aspect van de Nederlandse architectuur: naast een klein aantal baanbrekende architecten is er een grote groep architecten met werk van een hoge gemiddelde kwaliteit. Juist zij leveren een grote bijdrage aan de kwaliteit van de gebouwde omgeving als geheel.

€ 16.00 Toevoegen
Lidwien Schiphorst - A.J.N. Boosten(1893-1951). Expressief vernieuwer van het katholieke bouwen

Lidwien Schiphorst - A.J.N. Boosten(1893-1951). Expressief vernieuwer van het katholieke bouwen

De Limburgse architect Alphons Boosten behoorde tot de groep van jonge katholieke kunstenaars rondom het blad Roeping, die begin jaren twintig naar vernieuwing streefden. Boosten bepleitte het recht van de architect om de nieuwe mogelijkheden van beton en ijzer als uitgangspunt voor een nieuwe stijl te nemen. Een bijzonder voorbeeld hiervan is de Maastrichtse Koepelkerk uit 1920. Vanwege de beperkte omvang van het bouwterrein en naar de wens van de opdrachtegever werd voor centraalbouw gekozen; de wanden werden gevormd door drie gigantische taps toelopende betonnen pijlers als dragers van de koepelconstructie. In totaal ontwierp Boosten vijfentwintig kerken, waarvan er meer dan twintig werden uitgevoerd. De vormgeving varieert met de functie, van het paraboolgewelf van een dorpskerk voor Eygelshoven tot de vijfbeukige stadskathedraal, gedragen door slanke betonpijlers, te Horst. Al Boostens kerken worden gekenmerkt door de speelse groepering van de belangrijkste delen en de expressieve vormen daarvan. Boosten groeide op in het gezin van de Maastrichtse drukker-uitgever J.H. Boosten. Tijdens lessen op het Stadsteekeninstituut leerde hij het werk van jonge beeldend kunstenaars als de schilder en glazenier Henri Jonas, de schilder Charles Eyck en de beeldhouwer Charles Vos kennen, met wie hij later veelvuldig zou samenwerken. Naderhand kreeg hij les aan de Haagse Academie en volgde hij enige tijd de cursus Voortgezette Hogere Bouwkunst te Amsterdam. Alvorens terug te keren naar Limburg werkte hij bij Jos.Th.J. Cuypers en Pierre Cuypers jr. te Amsterdam en H.P. Berlage in Den Haag. Naast kerken ontwierp Boosten een groot aantal andere gebouwen van katholieke signatuur, met name kloosters, vaak in combinatie met scholen, internaten, dan wel zorginstellingen, zoals het klooster en bejaardenzorgcomplex St. Jozefgesticht in Gulpen met zijn opvallende kapel, thans als gemeentehuis in gebruik. In Boostens woonhuizen en villaís met hun daken met ruime overstekken, de speelse horizontale belijning, de opvallende erkers en de geprofileerde ingangspartijen, ziet men invloeden van Berlage en de Nieuwe Haagse School en internationaal gezien van Frank Lloyd Wright en Engelse landhuisarchitecten als Lutyens en Voysey.

€ 25.50 Toevoegen
Maarten Piek [- K.J. Muller (1857-1942). Sportcomplexen, buitenplaatsen en tuindorpen – gezondheid als leidraad in de architectuur

Maarten Piek [- K.J. Muller (1857-1942). Sportcomplexen, buitenplaatsen en tuindorpen – gezondheid als leidraad in de architectuur

Karel Joan Muller (1857-1942) wordt in de architectuurgeschiedenis wel `de vader van de Twentse landhuizen’ uit het begin van de twintigste eeuw genoemd, maar in feite valt zijn carrière in twee periodes uiteen. Na zijn opleiding aan de Polytechnische School in Hannover, begon Karel Muller met zijn studiegenoot Jonas Ingenohl en zijn broer, de literator Hendrik Clement Muller een bureau in Amsterdam. Samen met rijke Amsterdamse particulieren zetten zij zich in voor projecten op het gebied van lichamelijke opvoeding en sport. Hoogtepunten uit deze periode vormen het Turngebouw op de hoek van de Marnixstraat en de Leidsekade (1887) en de Bad- en overdekte zweminrichting aan de Heiligeweg (1896), het grootste overdekte bassin in Europa van dat moment. Door het huwelijk van twee van zijn zussen met telgen uit de fabrikantenfamilie Gelderman verplaatste het werkterrein van Muller zich eind jaren negentig naar Twente. Hier realiseerde hij een groot aantal kostbaar ingerichte buitenplaatsen, jachthuizen, kantoren en bankgebouwen. Voor de gebroeders Stork ontwierp Muller het eerste tuindorp van Nederland naar Engels voorbeeld: Het Lansink in Hengelo (1910-1917), waaraan ook de bekende tuinarchitecten P. Wattez en L.A. Springer meewerkten.

€ 16.00 Toevoegen
Marcel Theunissen - Theo Bosch (1940-1994). Knokken voor de stad

Marcel Theunissen - Theo Bosch (1940-1994). Knokken voor de stad

Theo Bosch (1940-1994) was een van de belangrijkste vernieuwers van de naoorlogse Nederlandse volkshuisvesting. In een periode waarin herwaardering ontstond voor de bestaande stad, verrichte hij pionierswerk in de (Amsterdamse) stadsvernieuwing, door samenwerking met bewoners en zich niet af te laten troeven door het bureaucratisch apparaat van overheidsregels. Daarbij wist hij het stedenbouwkundig en architectonisch ontwerp te integreren. Het bouwen voor de buurt kreeg invulling via een fijnmazige vervlechting van stedelijke functies, van openbare en privé-ruimtes, met architectuur van een menselijke maat en schaal. Daarmee kreeg de binnen Team X en Forum geformuleerde nieuwe stedelijkheid een concrete invulling. Ook in de periode als zelfstandig architect wist hij complexe stedelijke ontwerpopgaven op te lossen door aan te sluiten op het stedelijk weefsel. In de architectonische uitwerking waren licht en ruimte sleutelbegrippen. Bosch bedacht voor iedere situatie de meest geschikte oplossing, door te variÎren op bestaande en door hem geïntroduceerde verkavelingstypologieën. Het menselijk welzijn in de door hem ontworpen gebouwen stond daarbij primair. Zijn visie op de stad, zijn bereidheid ervoor te knokken en zijn overtuiging dat het stedenbouwkundig en architectonisch ontwerp onlosmakelijk verbonden zijn heeft hij breed kunnen uitdragen als voorzitter van de Haagse Welstandscomissie. Met zijn fundamentele benadering wist hij ieder voorgelegd plan messcherp te analyseren. Daarbij profileerde hij zich zoals hij als ontwerper bekend stond: bevlogen, idealistisch maar nuchter, als een vakman met zicht op essenties.

€ 39.90 Toevoegen
Martine Bakker, Julkiette Roding - George Willem van Heukelom (1870-1952) Innovatieve constructies en sobere monumentaliteit.

Martine Bakker, Julkiette Roding - George Willem van Heukelom (1870-1952) Innovatieve constructies en sobere monumentaliteit.

Binnen de Nederlandse architectuurgeschiedenis is het werk van ir G.W. van Heukelom (1870-1952) nauwelijks bekend. In de jaren twintig was hij echter binnen en buiten Nederland beroemd om zijn Derde Administratiegebouw voor de Nederlandse Spoorwegen in Utrecht. Met de tweeÎntwintig miljoen bakstenen die voor dit gebouw nodig waren, was het ook het grootste gebouw in baksteen van ons land. Op technisch gebied heeft Van Heukelom enkele primeurs geleverd. In 1894 ontwierp hij de eerste stalen perronoverkapping voor het nieuwe station ‘s-Hertogenbosch van architect Eduard Cuypers, met wie hij nauw bevriend was. Deze constructie, die enkele jaren geleden met sloop werd bedreigd, is tot Rijksmonument verklaard en in oude luister hersteld. Voor de perronoverkapping van het door hemzelf ontworpen station Maastricht (1912-1915) koos hij een ander nieuw materiaal: beton. George Willem van Heukelom werd op 29 maart in Tilburg geboren. Na de HBS doorlopen te hebben, ging hij in 1887 naar Delft waar hij civiele techniek studeerde. In 1891 kwam hij als aspirant-adjunct-ingenieur in dienst van de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen. Al spoedig kreeg hij de gelegenheid om architectonische ontwerpen te maken. Zijn eerste werk was station Hengelo (1901), dat in de Tweede Wereldoorlog verwoest werd. Vele stations volgden, met name in Brabant en Limburg. Veel minder bekend is dat Van Heukelom in zijn tijd een bekend restauratiearchitect was, die vooral in Utrecht, maar ook elders, in Groningen en Breda, kerken en andere historische panden heeft gerestaureerd. Van Heukeloms baksteenarchitectuur wordt gekenmerkt door een grote soberheid en een streven naar reinheid van vorm. Ook het gebruik van glas-in-lood vensters in opmerkelijke kleuren draagt bij aan een spirituele sfeer in zijn werk. Zijn godsdienstige overtuiging – hij maakte in zijn woonplaats Bilthoven deel uit van een vrijzinnig protestantse groep van, kunstenaars en filosofen – was hier mede debet aan.

€ 13.00 Toevoegen
Mette Zahle, Dorothée Segaar-Höweler, Andrea Prins - Jan Verhoeven 1926-1994. Exponent van het structuralisme

Mette Zahle, Dorothée Segaar-Höweler, Andrea Prins - Jan Verhoeven 1926-1994. Exponent van het structuralisme

Jan Verhoeven (1926-1994) was een man van veelzijdige interesse met uitgesproken ideeën. Binnen een vrij compacte periode heeft hij gewerkt aan†diverse projecten van uiteenlopende aard en schaal. Jan Verhoeven en zijn bureau hadden een enorme productie; vooral vanaf midden jaren zestig tot begin jaren tachtig†komt het bureau qua werkomvang en publiciteit in een stroomversnelling terecht. In deze tijd ontstaan ruimtelijk verrassende projecten voor particuliere woonhuizen, klein- en grootschalige woningbouwprojecten met de bijbehorende stedenbouw, basisscholen en enkele omvangrijke gebouwcomplexen. De ontwerpen zijn divers, maar alle projecten verbindt één idee: Jan Verhoevens fascinatie voor het vormgeven van de relatie tussen individu en gemeenschap. Het denken en de werkwijze van Jan Verhoeven zijn nauw†verbonden met de toenmalige tijdgeest en het geloof dat architectuur kan bijdragen aan een betere samenleving. Zijn projecten konden ontstaan door meervoudige manieren van samenwerking: met collega-architecten, toekomstige gebruikers en – erg belangrijk – zijn vrouw Eva Verhoeven. Haar verfijnde gevoel voor proporties is in vele gebouwen zichtbaar.

€ 28.00 Toevoegen
Michael Lucassen, Inez Kloosterman - J.J. van Nieukerken (1854-1913). M.A. van Nieukerken (1879-1963). J. van nieukerken (1885-1962). Architectuur als ambacht – ontwerpen voor het patriciaat

Michael Lucassen, Inez Kloosterman - J.J. van Nieukerken (1854-1913). M.A. van Nieukerken (1879-1963). J. van nieukerken (1885-1962). Architectuur als ambacht – ontwerpen voor het patriciaat

Toen het architectenbureau Van Nieukerken in 1960 werd opgeheven, werd daarmee een ontwerptraditie afgesloten, die zijn oorsprong had in de negentiende eeuw. Johannes van Nieukerken (1854-1913) was volgens de oude traditie als architect in de praktijk gevormd. Hoewel in 1863 de Polytechnische School, de latere TU Delft, was opgericht prefereerde hij ook voor zijn zoons Marie (1879-1963) en Johan (1885-1962) een praktijkleerschool. Van Nieukerken senior droeg zijn opvattingen op zijn zoons over. Zo werd de negentiende-eeuwse traditie van historiserende vormen een rijke detaillering en een ambachtelijke bouwwijze tot ver in de twintigste eeuw voortgezet. Johannes van Nieukerken was een meester in het opbouwen van een netwerk van opdrachtgevers, in zijn geval vooral aristocraten, hoge ambtenaren en figuren uit de wereld van handel en industrie. Deze kapitaalkrachtige groep kon zich de kostbare bouwwerken veroorloven, die de Van Nieukerkens graag ontwerpen. Een serie landhuizen van ongekende schaal en enkele grote kantoorgebouwen vormen markante objecten in het oeuvre van de Van Nieukerkens. Hun hoofdwerk vormt onmiskenbaar het toenmalige Koloniaal Instituut in Amsterdam, het huidige Koninklijk Instituut voor de Tropen. Van Nieukerken senior deed zijn architectuurvisie op in de negentiende-eeuwse discussie om een nationale architectuurstijl en ontwikkelde zich in navolging van P.J.H. Cuypers tot een rationalist, werkend in een neorenaissance-idioom. Zijn zoons waren minder principieel in hun vormkeuze en gingen meer en meer eclectisch te werk. Vanaf de jaren dertig liep de belangstelling voor de historiserende vormen die de Van Nleukerkens bleven toepassen terug. Ze bleven echter in hun visie geloven. Marie van Nieukerkens ideeënplan voor de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog toont negentiende-eeuwse steden op de schaal van de twintigste eeuw en tot in de jaren vijftig bleven ze gebouwen ontwerpen in een stijl die zijn wortels had in een architectuurdiscussie die driekwart eeuw eerder had plaatsgehad.

€ 18.00 Toevoegen
Michiel Kruidenier - Z.D.J.W. Gulden (1875-1960). M. Geldmaker (1874-1930). Specialisten in volkshuisvesting

Michiel Kruidenier - Z.D.J.W. Gulden (1875-1960). M. Geldmaker (1874-1930). Specialisten in volkshuisvesting

Qua omvang van hun oeuvre behoorden de architecten Z.D.J.W. Gulden en M. Geldmaker gedurende het interbellum tot de belangrijkste specialisten op het gebied van de volkshuisvesting. Niet alleen hebben ze een vele duizenden woningen op hun naam staan, ook ontwierpen ze de woningplattegronden voor bekende architecten als H.P. Berlage, J.M. van der Mey, J.F. Staal en Margaret Staal-Kropholler. Ook hielden Gulden en Geldmaker zich bezig met experimenten in de volkshuisvesting. In zijn boek Rationalisatie in de woningbouw presenteerde Gulden een plan voor een woongebouw voor arbeiders met zeer uitgekiende plattegronden en met vele centrale voorzieningen. Ook in diverse uitgevoerde projecten werd hiermee geÎxperimenteerd. Geldmaker overleed jong, maar Gulden ging op gelijke voet door. Van zijn naoorlogse; werk vormt het Arie Kepplerhuis in Amsterdam uit 1952, een woningcomplex voor werkende echtparen dat Gulden met zijn naoorlogse partner G. Husslage ontwierp, een voortzetting van genoemde experimenten. De architectuur van Gulden en Geldmaker kenmerkte zich aanvankelijk als een sobere variant op de Amsterdamse School: massieve, compacte woonblokken met een eenvoudige, maar subtiele detaillering. Na de dood van Geldmaker werd het werk strakker van karakter. De accentuering van hoek- en middenpartijen bleef, maar veel van de detaillering werd achterwege gelaten. Guldens sterke punt was het ontwerpen van woningplattegronden. Beide architecten lieten zich politiek en maatschappelijk gelden in de toenmalige SDAP en als hoofdbestuurders van de Vereniging van Nederlandse Bouwkundige Opzichters en Tekenaars. Gulden was zeer actief: hij was een van de oprichters van de Amsterdamse Bond van Gemeenteambtenaren en ook hoofdbestuurslid van liet NVV. Daarnaast was hij (mede)oprichter van een aantal woningbouwverenigingen. Gulden en Geldmaker werkten niet alleen niet veel bekende architecten samen; hun eigen bureau was een kweekplaats van talent, waaruit o.a. J. H. van den Broek voortkwam. Desalniettemin waren gegevens over Gulden en Geldmaker en hun oeuvre tot voor kort nauwelijks te vinden. In de literatuur werd weinig over hen gepubliceerd. Het archief van liet architectenbureau Gulden en Geldmaker is vernietigd, slechts over het naoorlogse werk van Gulden is nog archiefmateriaal voor handen. Hoewel er zeker nog werken zullen ontbreken is in dit boek een zo groot mogelijk deel van hun oeuvre geïnventariseerd.

€ 16.50 Toevoegen
Michiel Roding - S. de Clercq (1876-1962) A. Broese van Groenou (1880-1961). Smaakvol, kloek en bescheiden

Michiel Roding - S. de Clercq (1876-1962) A. Broese van Groenou (1880-1961). Smaakvol, kloek en bescheiden

De architecten Adolf (Dolf) Broese van Groenou en Samuel (Sam) de Clercq die hier in een boek zijn verenigd, zijn nooit als geassocieerd architectenbureau opgetreden. Wel hebben zij bij diverse projecten samengewerkt. Beide architecten spelen in de hedendaagse Nederlandse architectuurgeschiedenis een bescheiden rol. Op het hoogtepunt van hun carriëre, in het interbellum, stonden zij in aanzien, wat onder meer blijkt uit publicaties en de talrijke bestuursfuncties die zij hebben bekleed. Dat echter ook heden ten dage de kwaliteit van hun bouwwerken weer wordt erkend, blijkt uit het feit dat een groot deel van de bewaard gebleven gebouwen inmiddels het predikaat van rijks- of gemeentemonument heeft gekregen. De over het algemeen zeer gefortuneerde opdrachtgevers hebben kloeke bouwwerken mogelijk gemaakt, waarbij de architecten er echter voor hebben gewaakt om in het buitenissige of het overdadige te vervallen. In dit opzicht waren zij bescheiden. Vooral de gebouwen van De Clercq zijn in de regel in een strenge stijl gebouwd die op H.P. Berlage terug te voeren valt. Broese van Groenou is in zijn vroege werk iets speelser, hij legt een voorkeur voor de Engelse landhuisstijl aan de dag. Na de Eerste Wereldoorlog nemen zij stijlelementen van de Amsterdamse School over, waarmee hun werk tot de Nieuwe Haagse School gerekend kan worden. Zij bouwen overigens niet uitsluitend in Den Haag en omgeving maar ook op de Veluwe en voor de ëtextielbaronnení in het oosten van het land. Beiden ontwerpen hoofdzakelijk villa¥s, arbeiderswoningen en verder enkele bank- of kantoorgebouwen. Vooral De Clercq heeft zich mede op het terrein van de interieur- en de meubelkunst bewogen. Van laatstgenoemde zijn vooral de charitatieve woningbouwcomplexen in Wassenaar uniek te noemen. Broese van Groenou heeft niet alleen met zijn villaís, maar ook met gebouwen als de Parkflat Zorgvliet en het kantoorgebouw Cultura, Den Haag met markante bouwwerken verrijkt. Voor het eerst wordt met dit boek beider oeuvre gepubliceerd, waarbij de talrijke fotoís en plattegronden een goed beeld geven van hun belangrijkste creaties.

€ 19.00 Toevoegen
Nicolaï, A.C. (1914-2001). Bouwstenen voor een moderne woonomgeving - Albert Gielen

Nicolaï, A.C. (1914-2001). Bouwstenen voor een moderne woonomgeving - Albert Gielen

De loopbaan van A.C. Nicolaï (1914-2001) bestrijkt de periode van het einde van de jaren dertig tot de jaren tachtig, een periode die gekenmerkt wordt door een grote dynamiek in architectuuropvattingen. Nicolaï’s werk is echter bijzonder consistent. In zo’n 40 jaar werkte hij aan een enorm oeuvre bestaande uit woningen, scholen, kantoren en kerken. Ook ontwikkelde hij complete woonwijken. Nicolaï’s naam is onverbrekelijk met Emmen verbonden. Vanaf de vroege jaren vijftig werkte hij in deze Drentse groeikern met een ambitieus programma van stadsuitbreidingen. Hij ontwierp er de woonwijk Nijkampen, maar werd vooral bekend om zijn bijdragen aan de Emmerhout, een verkeersluwe woonwijk met bijzondere aandacht voor de kwaliteit van de woonopgeving, waarvan hij het centrum realiseerde. De Architectengroep Emmerhout, waarvan Nicolaï deel uitmaakte, maakte hiermee zoveel furore dat men ook opdrachten van elders kreeg. Een belangrijk deel van Nicolaï’s carrière valt samen met de Wederopbouw; hij moest werken met lage budgetten en met een gebrek aan materiaal. Zijn werk kenmerkte zich in die periode door een eenvoudige maar subtiele architectuur en veel aandacht voor wooncomfort. Al bij zijn woningen voor de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM) is te zien hoe hij met plaatsing en detaillering van kozijnen, luifels, balkons en dergelijke zijn ontwerpen een opvallend gezicht wist te geven. In stedenbouwkundig opzicht wist hij complexen van verschillende hoogte zo te variëren en te rangschikken dat een afwisselend straatbeeld ontstond. Beïnvloed door zijn leermeester P. Zanstra, J.H.L. Giesen en K.L. Sijmons zette Nicolaï na de oorlog de opvattingen voort van Groep í32. Deze architecten hadden in de jaren dertig kritiek op de al te dogmatische opvattingen van de Nieuwe Bouwers, die van mening waren dat schoonheid min of meer automatisch uit de doelmatigheid voort zou komen. De leden van Groep 32 keerden zich tegen dit dogmatische functionalisme. Zij wilden de vormgeving in het ontwerp weer een grotere rol laten spelen. Naast zijn studie nam Nicolaï tijdens de oorlogsjaren deel aan de Doornse Leergangen, waar gedurende de discussiebijeenkomsten werd gepoogd een brug te slaan tussen de Nieuwe Bouwers en de traditionalisten. Zo raakte hij bekend met hun uitgangspunten. Dit alles vormde de basis voor een eigen stijl, waarvoor hij al vroeg waardering kreeg: in 1946 won hij de Prix de Rome.

€ 24.00 Toevoegen
Niek Smit - Hein Salomonson (1910-1994) Schijnbare eenvoud

Niek Smit - Hein Salomonson (1910-1994) Schijnbare eenvoud

Hein Salomonson (1910-1994) behoorde tot de tweede generatie architecten van het Nieuwe Bouwen. Hij volgde zijn opleiding eerst in Den Haag en daarna in Wenen bij Josef Hoffmann en Oswald Haerdtl. In zijn opleidingstijd werd hij gegrepen door de experimentele moderne architectuur van De Stijl en het Nieuwe Bouwen. Na een zomer op het atelier van Le Corbusier in Parijs vestigde hij zich in Amsterdam. Als redacteur van het tijdschrift Goed Wonen gaf Hein Salomonson mede vorm aan het moderne wonen in de jaren vijftig en zestig in Nederland. Salomonson had een esthetische opvatting met veel oog voor detail, materiaal en vorm en werd geÔnspireerd door het werk van Le Corbusier, Alvar Aalto en Gerrit Rietveld. Hij werkte regelmatig samen met Alexander Bodon en met de tuinarchitecten Mien Ruys en prof. ir J.T.P. Bijhouwer. Salomonson is vooral bekend door zijn woonhuizen en interieurs. Zijn meest bekende huis is de villa op kolommen voor de sigarettenfabrikant Orlow in Amsterdam (1960). Hij ontwierp ook winkels, tentoonstellingen, meubelen (voor Metz & Co, Goed Wonen en A. Polakís Meubelindustrie) en kantoren. Architectuur uit de jaren vijftig en zestig is sterk bedreigd, zo ook het werk van Salomonson. Veel van zijn zorgvuldig tot in de details vormgegeven gebouwen en interieurs zijn verdwenen of verminkt. Toch behoort zijn werk tot het beste uit deze periode en is het zeer typerend voor de naoorlogse moderne villabouw in Nederland. De auteur Niek Smit, werkzaam als architectuurhistoricus bij Vereniging Hendrick de Keyser, deed in het kader van zijn studie kunstgeschiedenis onderzoek naar de architect Hein Salomonson, ondermeer in het archief van Salomonson in het NAi. Dit boek is mede tot stand gekomen dankzij een financiÎle bijdrage van het Stimuleringsfonds voor Architectuur.

€ 29.50 Toevoegen
Radboud van Beekum - G.F. La Croix (1877-1923). Amsterdamse School architect

Radboud van Beekum - G.F. La Croix (1877-1923). Amsterdamse School architect

Guillaume Frédéric la Croix geboren in Amsterdam als zoon van een timmerman, was vanaf medio 1900 acht jaar als tekenaar en opzichter verbonden aan het bureau van Ed. Cuypers, in dezelfde tijd dat daar ook J.M. van der Mey, M. de Klerk en P.L. Kramer werkzaam waren. Binnen dit bureau werd de kiem gelegd voor de expressieve architectuur die later Amsterdamse School zou gaan heten. In 1915 begon La Croix een zelfstandige praktijk. Tot zijn bekendste uitgevoerde werken behoren de dubbele villa in Park Meerwijk in Bergen (1918), een woningblok aan de Bellamystraat, het voormalig Scheepvaartmuseum en een woningblok aan de Cornelis Schuytstraat, alle in Amsterdam (1918), en het kantoor voor rederij Koppe achter het Centraal Station in Amsterdam (1919). La Croix werkte in een decoratieve stijl die minder plastisch was dan die van andere architecten van de Amsterdamse School. De kunsthistorische aandacht heeft zich lang vooral gericht op de meer ruimtelijke architectuur als van De Klerk en Kramer. De vlakkere, decoratieve vormgeving van La Croix was minder spectaculair, en trok minder belangstelling. Na verwerving van archiefstukken uit de nalatenschap van La Croix door het Nederlands Architectuurinstituut, heeft nieuw onderzoek naar zijn werk, dat in deze uitgave is verwerkt, de eigen plaats van La Croix binnen de toenmalige expressionistische architectuur bevestigd. Dit boek is mede tot stand gekomen dankzij een financiêle bijdrage van het Stimuleringsfonds voor Architectuur.

€ 23.50 Toevoegen
Ros Floor - Johan Frederik Metzelaar ( 1818-1897) en Willem Cornelis Metzelaar  (1848-1918) Bouwers voor justitie

Ros Floor - Johan Frederik Metzelaar ( 1818-1897) en Willem Cornelis Metzelaar (1848-1918) Bouwers voor justitie

Johan Frederik Metzelaar en Willem Cornelis Metzelaar waren vooraanstaande architecten in hun tijd. J.F. Metzelaar is een voorbeeld van een selfmade man, hij begon zijn loopbaan als timmerbaas en ontwikkelde zich tot architect. Zijn zoon begon zijn architectencarriËre na een, voor die tijd, moderne opleiding aan de Polytechnische School in Delft. Door hun ontwerpen en hun actieve rol in de architectenwereld zijn ze architectuurhistorisch van belang, maar vooral hun werk voor Justitie maakt ze ook in breder cultuurhistorisch opzicht interessant. Hun gerechtsgebouwen en gevangenissen door het hele land, en nieuwbouw in het justitiedorp Veenhuizen weerspiegelen veranderende opvattingen over rechtspraak en detentie. Tot hun bekendste ontwerpen behoren de koepelgevangenissen in Arnhem, Breda en Haarlem en de gerechtsgebouwen in Tiel, ís-Hertogenbosch en Rotterdam. Daarnaast ontwierpen zij de grootscheepse uitbouw van het detentiedorp Veenhuizen, oorspronkelijk onderdeel van de Maatschappij van Weldadigheid. Dit dorp staat op de nominatie te worden voorgedragen voor de UNESCO werelderfgoedlijst. Minder bekend, maar zeker belangwekkend zijn de door W.C. Metzelaar ontworpen rijksopvoedingsgestichten en tuchtscholen, vroege voorbeelden van justitiÎle (rijks)inrichtingen voor jeugdigen.

€ 29.00 Toevoegen
Rosa Visser-Zaccagnini - G.C. Bremer (1880-1949). Rijksbouwmeester

Rosa Visser-Zaccagnini - G.C. Bremer (1880-1949). Rijksbouwmeester

Architect Gustav Cornelis Bremer (1880-1949) heeft in de Nederlandse architectuurgeschiedenis een belangrijke rol gespeeld, niet alleen als rijksarchitect, maar dankzij zijn invloedrijke positie ook als politiek persoon. Als adjunct, en later in de functie van Rijksbouwmeester, gaf hij status aan rijksgebouwen, die werden gekenmerkt door monumentaliteit, allure en degelijkheid. Door de verhoudingen, de indeling van de gevels, het toepassen van bijzondere bouwmaterialen zoals verschillende soorten baksteen en natuursteen, het gebruik van vereenvoudigde klassieke elementen en de aandacht voor details, harmoniÎren zijn gebouwen met de bestaande omgeving. De gebouwen zijn massief van vorm, maar dankzij de eenvoud en het evenwicht tussen de verschillende bouwkundige elementen en de aandacht voor details niet zwaar. Bremer gaf bijzondere aandacht aan de functionaliteit en de interne circulatie van de gebouwen. Zij waren duidelijk voor de gebruikers ontworpen. De rijksbouwmeester was in staat om zijn medewerkers en kunstenaars van verschillende disciplines te inspireren tot samenwerking voor een gemeenschappelijk doel. Bremer werkte onder anderen samen met R.N. Roland Holst en hij schreef over diens werk dat het ‘een dienende kunst’ was, waarbij kracht werd geput uit ‘de beperking van hare vrijheid’. Dergelijke woorden zou men ook over Bremer zelf kunnen schrijven. Zijn werk als Rijksbouwmeester was dienend en de beperkingen in zijn creatieve vrijheid waren groot. Hij moest bij elk ontwerp worstelen met de eisen van de diverse gebruikers en hij was tevens gebonden aan extreme financiÎle limieten, in het begin ingegeven door de strenge bezuinigingen van de chef van de afdeling Gebouwen van het Ministerie van FinanciÎn, J.C.E. baron van Lynden, later door de algemene financiÎle malaise in de jaren dertig en ten slotte vanwege de Tweede Wereldoorlog. Desondanks lijkt het erop dat Bremer deze omstandigheden meer als een uitdaging zag dan dat hij deze als een belemmering beschouwde. Zijn tomeloze inzet en productiviteit zijn hiervoor het belangrijkste bewijs.

€ 20.00 Toevoegen
Sigrid de Jong - J.H. Leliman (1828-1910). Eclecticisme als ontwerp methode voor een nieuwe bouwkunst

Sigrid de Jong - J.H. Leliman (1828-1910). Eclecticisme als ontwerp methode voor een nieuwe bouwkunst

In de negentiende-eeuwse debatten over stijl, waarheid, karakter, esthetiek, onderwijs, ambacht en het vak van architect voerde J.H. Leliman (1828-1910) vaak het hoogste woord. Hij formuleerde zijn gedachten in een periode waarin nieuwe ontwikkelingen in de bouwkunst ervoor zorgden dat er in Nederland volop werd gepubliceerd en gediscussieerd over de architectuurgeschiedenis, het beroep van architect en het onderwijs. Leliman mengde zich gretig in de debatten die vaak waren geïnitieerd door de nieuwe instituten: de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst en het genootschap Architectura et Amicitia. De ideeën die Leliman daar uitsprak, zijn zeer vooruitstrevend te noemen. Na een studiereis door België en een opleiding in Parijs aan het befaamde atelier van de Franse architect Henri Labrouste, bracht Leliman een nieuwe ontwerp-methode naar Nederland: het eclecticisme. Zijn ideeÎn over deze vrije benadering van de toepassing van stijlelementen zou hij zowel in geschriften en lezingen als in zijn bouwwerken uitdragen. Leliman bleef de buitenlandse ontwikkelingen op de voet volgen. In de eerste Nederlandse tijdschriften voor architecten, Bouwkundige Bijdragen en De Opmerker deed hij verslag van West-Europese bouwkundige ontwikkelingen, archeologische ontdekkingen, prijsvragen, tentoonstellingen, congressen en nieuw verschenen vakliteratuur. Op zijn initiatief werd een driedelig plaatwerk uitgegeven, het Album, Verzameling van bouwkundige schetsen en ontwerpen, waarin met name onuitgevoerde ontwerpen van negentiende-eeuwse Nederlandse architecten waren opgenomen. Met deze initiatieven wilde Leliman zijn collega-architecten onderwijzen en de uitwisselingen van ideeën bevorderen, bij gebrek aan een Nederlandse opleiding in de bouwkunst. Leliman zette zich in zijn lezingen en publicaties steeds in voor de noodzaak van een goede opleiding tot architect, zoals die in het buitenland al wel bestond. Lelimans gebouwde oeuvre is in vergelijking tot zijn theoretische bijdragen veel minder omvangrijk. Na het winnen van een aantal prijsvragen legde hij zich met name toe op het ontwerpen van woonhuizen, winkelpanden, scholen en arbeiderswoningen. Hij behoorde tot de eerste architecten die in Amsterdam woningen voor arbeiders ontwierpen. Over goede huisvesting voor arbeiders publiceerde hij verschillende artikelen en in de vele lezingen die hij hield, kwam dit onderwerp ook vaak ter sprake. Op zijn vijftigste trok Leliman zich terug als praktiserend bouwkunstenaar. Hij bleef nog wel artikelen schrijven, vergaderingen bezoeken en lezingen geven.

€ 16.00 Toevoegen
Tonny Claassen - A. Bodon (1906-1993). Lichtheid en transparantie – architectuur als dienend ambacht

Tonny Claassen - A. Bodon (1906-1993). Lichtheid en transparantie – architectuur als dienend ambacht

Het beste werk van Alexander Bodon (1903-1993) kenmerkt zich door lichtheid en transparantie. Naar Bodons overtuiging had de architect een dienend ambacht, mochten gebouwen zich niet op de voorgrond dringen en dienden ze gespeend te blijven van modieuze toevoegingen. Bodon, van Hongaarse afkomst, volgde in Budapest een opleiding als interieurarchitect, maar voelde zich na een stage in Nederland, op het bureau van Jan Wils, niet meer thuis in het in zijn ogen conservatieve Hongaarse architectuurklimaat. In Nederland was hij onder de indruk geraakt van het Nieuwe Bouwen. In 1929 keerde hij naar Nederland terug om zich hier definitief te vestigen. Drie jaar later verwierf hij grote bekendheid met zijn verbouwing van de smalle en diepe Amsterdamse boekhandel Schrˆder en Dupont, waar een vide, smalle galerijen langs de boekenwanden en ranke staalconstructies een maximum aan licht en ruimte overlieten. Bodon ontwierp talloze meubels, interieurs, stands voor tentoonstellingen en beurzen en ook tentoonstellingen als geheel. Gaandeweg verschoof zijn ontwerp-praktijk zich in de richting van de architectuur. In de periode van de wederopbouw ontwierp hij verschillende woningbouwcomplexen. Hij had echter moeite met de krappe budgetten, die hem aIs architect vaak weinig ruimte gaven. Nadat architect A. van der Steur hem op zijn sterfbed voor de uitbreiding van het museum Boymans-Van Beuningen als opvolger had aangewezen, kreeg Bodon op diens oude bureau gelegenheid zijn passie voor technische vernieuwing tot uiting te brengen, onder andere in de enorme overspanning van de Europahal van het Amsterdamse RAI-complex.

€ 16.00 Toevoegen
Tonny Claassen - Paul de Ley (1943). Bouwen voor de buurt

Tonny Claassen - Paul de Ley (1943). Bouwen voor de buurt

Architect Paul De Ley (1943) behoort tot de pioniers van de stadsvernieuwingsbeweging rond 1970. Hij heeft in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw met het ëBouwen voor de buurtí de stadsvernieuwing een belangrijke impuls gegeven. Zijn carriËre begon met het woningbouwproject op het Bickerseiland te Amsterdam (1972-1977), waar hij samen met zijn collega Jouke van den Bout met grote betrokkenheid en deskundigheid de buurt Èn de gemeente enthousiast wist te krijgen voor zijn plannen , waarmee de oorspronkelijke kleinschalige structuur van de buurt gehandhaafd bleef. Het betekende in een tijd van conflicterende belangen tussen bewoners van de oude stadswijken en het gemeentebestuur een ware cultuuromslag . Het verzet van de buurtacties tegen de aanleg van grote verkeerswegen dwars door de oude historische binnenstad en de voorrang aan kantoorgebouwen ten koste van de woonfunctie had succes. Meerdere plannen voor de stadsvernieuwing van Amsterdam en steden als Leiden, Rotterdam, Hilversum en Utrecht volgden. Dat de stadsvernieuwing zich vanuit incidentele buurtacties tot een professionele ontwerpstrategie ontwikkelde is mede aan Paul De Ley te danken. De stadsvernieuwing werd ÈÈn van de belangrijke speerpunten, niet alleen in Amsterdam, maar ook in politiek Den Haag. Paul De Ley ontwikkelde zich tot een specialist. Hij wist creatieve oplossingen te bedenken voor complexe situaties. Maatschappelijke betrokkenheid en een contextuele benadering waren in de jaren zeventig geliefde uitgangspunten voor een nieuwe generatie van jonge architecten. Het gedachtegoed van Aldo van Eyck, met pleidooien voor de menselijke schaal en herwaardering van de oude stad, vormde voor deze groep architecten een onuitputtelijke bron van inspiratie. In de ontwerpdiscussie werd gezocht naar antwoorden op problemen van grootschaligheid, anonimiteit en de verstoorde relatie tussen de mens en zijn omgeving. Kenmerkend voor het werk van Paul De Ley is de zorgvuldige inpassing van projecten in het omringende stedelijk weefsel.

€ 19.00 Toevoegen
Trudy van den Hurk-Van Haagen - K. van der Gaast (1923-1993). Transparantie en onverhulde constructies

Trudy van den Hurk-Van Haagen - K. van der Gaast (1923-1993). Transparantie en onverhulde constructies

Ir. Koenraad van der Gaast (1923-1993) heeft voor een groot deel het gezicht bepaald van de naoorlogse stationsbouw in Nederland. Als Chef van de afdeling Gebouwen kreeg hij tot taak de stationsbouw aan te passen aan de nieuwe bedrijfsvisie die zich bij de Nederlandse Spoorwegen had ontwikkeld. De ietwat statische onderneming met de bijbehorende statige gebouwen moest veranderen in een dynamisch, laagdrempelig bedrijf dat zich in dienst stelde van het grote publiek, speciaal ten behoeve van het woon-werkverkeer. Bij die nieuwe visie paste een nieuw type station: in plaats van verblijfsruimte werd het doorgangsruimte. In tegenstelling tot de kleine besloten gebouwen of de grotere deftige stations van zijn voorgangers, ontwierp Van der Gaast stations met een uitnodigend karakter, die aansloten bij de bedrijvigheid in de omgeving. Al in zijn eerste stations verschijnt een aantal elementen die op openheid zijn gericht: een omhoog gebogen dak, royale luifels en volop glas in de gevels. Omdat het station een doorgangsruimte werd, ontwierp hij korte, logische looproutes en kleinere wachtruimten en restauraties. Soms liet hij deze zelfs geheel achterwege. Met het haltegebouw Amsterdam Sloterdijk uit 1956 introduceerde Van der Gaast een totaal nieuwe opvatting in de stationsarchitectuur. Alle voorzieningen werden hier samengebracht onder een hoge open kap. Zo ondervond de reizigersstroom zo weinig mogelijk hindernissen. In de jaren zestig werd dit idee van alles-onder-een-kap grootschaliger en vollediger doorgevoerd. De kap groeide uit tot een opmerkelijke stalen constructie. Met station Tilburg uit 1965 heeft Van der Gaast zijn meesterstuk geleverd. Een zelfdragende, golvende overkapping van 46 bij 147 meter en bestaande uit twaalf hypparschalen spreidt zich uit over losstaande, transparant gehouden reizigers- en dienstruimten, over de perrons, de sporen en de voorrijruimte. De openheid, de centrale kap en de constructieve technieken die Van der Gaast introduceerde, bleven een bron van inspiratie voor de jonge architecten uit de jaren tachtig en negentig. Het gesloten, statige gebouw was een gepasseerd station geworden. Behalve stationsgebouwen ontwierp Van der Gaast voor de NS ook diverse voetgangerstunnels, fietsenstallingen, spoorbruggen en dienstgebouwen.

€ 16.00 Toevoegen
Walter Hoogerwerf - H. Knijtijzer (1914-1994). architectonische waarden, achter de rooilijn verscholen

Walter Hoogerwerf - H. Knijtijzer (1914-1994). architectonische waarden, achter de rooilijn verscholen

Het oeuvre van architect Herman Knijtijzer (1914-1994) kenmerkt zich door een fijnzinnige architectuur, die eenvoud en optimisme uitstraalt. Als jong architect liet hij in de jaren dertig en veertig van zich horen in de discussie tussen moderne en traditionele architecten. Als vrijzinnig protestant wilde Knijtijzer de `ruimtelijke hygiÎne’ van het Nieuwe Bouwen met `geestelijke hygiëne’ verbinden. De modernen verwachtten naar zijn idee teveel van rede en techniek; Knijtijzer wilde daar `schoonheid en verwondering’ aan toevoegen. Belangrijk voor zijn denken over architectuur waren de lezingen die hij in 1942 hij architect F.A. Eschauzier volgde. Hierdoor leerde hij zowel het werk van moderne als meer traditionele architecten waarderen. Dat leidde bij Knijtijzer echter niet tot het na de oorlog populaire moderne eclecticisme; architecten moesten volgens hem niet in, maar vanuit een traditie werken. Knijtijzers werk omvat schoolgebouwen, kerken, kantoren, kinderdagverblijven, winkels en woningen uit de periode na de Tweede Wereldoorlog. Aanvankelijk werkte Knijtijzer op het bureau van de antroposofische architect J.J. van der Linden, met wie hij goed bevriend was. Samen maakten zij vele studiereizen. In 1946 begon Knijtijzer zijn eigen bureau. Hij had steeds zo’n zeven tekenaars in dienst, onder wie Piet Blom en Lucien Lafour, maar wilde zijn bureau niet verder laten groeien om grip op het werk te kunnen houden. Knijtijzer hechtte veel belang aan de sociale, culturele en religieuze dimensies van het houwen en vond dat een architect mede aan een `betere en schonere’ wereld moest vormgeven. Vanaf de jaren vijftig kreeg Knijtijzer veel opdrachten voor restauraties, met name binnen de Amsterdamse grachtengordel. Hij was lid van de Commissie Dooijes, die belast was met de inventarisatie van waardevolle panden in de hoofdstad. Knijtijzer had zeer veel belangstelling voor kerkbouw. Zelf heeft hij diverse protestante kerkgebouwen ontworpen, zoals de Remonstrantse Kerk in Meppel (1951), de Waalse Kerk te ’s Hertogenbosch (1957) en de Nederlands Hervormde Kerk in Klazienaveen (1959). Kroon op zijn werk was wel dat hij als protestant de opdracht kreeg voor de verbouwing van het Klooster ’s Heerenhof in Babberich (1965-1968). Knijtijzer heeft ook een redelijk groot geschreven oeuvre nagelaten. Hij wijdde beschouwingen aan kerkbouw, monumenten, restauraties en het bouwen in een historische context.

€ 16.00 Toevoegen
Wies van Moorsel - Cora Nicolaï-Chaillet (1919-1975) Interieurarchitecte en woonpedagoge

Wies van Moorsel - Cora Nicolaï-Chaillet (1919-1975) Interieurarchitecte en woonpedagoge

Ruimtelijkheid, doelmatigheid, flexibiliteit en gelegenheid bieden voor uiteenlopende activiteiten, zo kan men de ontwerpvisie van de interieurarchitecte Cora Nicolaï-Chaillet samenvatten. En: wonen is een levenskunst, waarvan mensen zich bewust moeten worden. Cora Nicolaï-Chaillet, die in de oorlogsjaren en in de periode kort daarna was opgeleid, ontwierp volgens modernistische opvatting, en was ook haar leven lang actief als propagandiste van de mogelijkheden die het moderne interieur de bewoner bood. Tegenover het ístofprincipeí van de traditionele architectuur, met zijn dikke wanden, gordijnen en vloerbedekking en zware meubelen, die erop gericht waren bewoners bescherming te bieden tegen een mensvijandige buitenwereld, stond het moderne íruimteprincipeí: bescherming had zijn functie verloren, de mens had zich immers vrijgemaakt en de inrichting van het huis moest de ontplooiing stimuleren. Meubels waren geen statussymbolen, maar dienden zo eenvoudig en klein mogelijk te zijn om het huis vrij te maken ten behoeve van allerlei activiteiten. Ze gaf voorlichting over de inrichting van de eigen woning via de Stichting Goed Wonen en de Bond van Plattelandsvrouwen. Ze richtte daartoe vele modelwoningen in en gaf talloze lezingen en cursussen. Centraal in haar voorlichting en haar lessen stond altijd dat men, voordat men over de inrichting van een woning na ging denken, zich altijd eerst moest realiseren wat men in die woning zou willen doen. Zelf ontwierp ze vaak aan de hand van activiteitenschemaís. Daarnaast hamerde ze ook op samenhang tussen interieurarchitectuur, architectuur en stedebouw, te bereiken door middel van een samenhangend ritme van klein naar groot. In de door Nicolaï-Chaillet ontworpen interieurs komen al die ideeën tot uitdrukking. Ruimten worden bij haar in zones verdeeld, die voor verschillende activiteiten waren bedoeld. Dit werd benadrukt door geraffineerde toepassingen van heldere kleuren, waarmee ze ruimtes ook groter kon doen lijken dan ze waren. Flexibiliteit werd bereikt door plaatsing van wegklapbare bedden en vouwwanden en kastenwanden in plaats van echte muren. Opvallend is dat bij alle uiteenlopende activiteiten en individuele ontplooiing de gezinseenheid centraal bleef staan; de woonkamer was niet alleen een trefpunt voor het gezin maar ook, vooral bij etagewoningen, het doorgangsgebied voor de routes in de woning.

€ 22.50 Toevoegen
Wies van Moorsel - Enrico(*1925) en Luzia Hartsuyker-Curjel (*1926). Modellen voor nieuwe woonvormen

Wies van Moorsel - Enrico(*1925) en Luzia Hartsuyker-Curjel (*1926). Modellen voor nieuwe woonvormen

Enrico Hartsuyker en Luzia Hartsuyker-Curjel, die evenals Aldo van Eyck hun opleiding genoten aan de Technische Hochschule in Z¸rich, hebben in het Nederland van na de Tweede Wereldoorlog geijverd voor alternatieve vormen van woningbouw en stedenbouw. Hun stedenbouwkundige modellen Biopolis en Hydrobiopolis trokken in de jaren zestig nationaal en internationaal de aandacht. Geen scheiding van functies maar juist integratie van functies was hun motto. Het daarvan afgeleide seniorenproject Zonnetrap in Rotterdam functioneert nog steeds tot volle tevredenheid van de bewoners en de buurt. In de woningbouw onderscheidden zij zich door alternatieve woningindelingen en nieuwe ruimtelijke oplossingen aan te dragen. Kenmerkend zijn de woningen met een open ruimte in het midden, de zogenaamde patiowoningen; de rondloopwoningen, waarbij geen enkele muur op de buitenomtrek van het huis aansluit, vaak met keuken en natte cel in het midden; kleine niveauverschillen (een soort splitlevel) en vides (voor een verticaal ruimtelijke werking). Behalve door deze kenmerken is vooral Luzia Hartsuyker-Curjel in de jaren í80 bekend geworden door haar zogenaamde ëvrouwvriendelijke woningení, waarin de traditionele hiÎrarchische woningindeling plaats maakte voor onderling gelijkwaardige ruimtes. Toepassingen daarvan zijn onder andere te vinden in Amsterdam, Apeldoorn en IJsselstein.

€ 29.50 Toevoegen
Wijnand Galama, Gaby Hutjes - E.H. Kraaijvanger (1898-1978). H.M. Kraaijvanger (1903-1981). Tussen traditionalisme en modernisme – op zoek naar schoonheid voor een moderne wereld

Wijnand Galama, Gaby Hutjes - E.H. Kraaijvanger (1898-1978). H.M. Kraaijvanger (1903-1981). Tussen traditionalisme en modernisme – op zoek naar schoonheid voor een moderne wereld

De gebroeders Evert en Herman Kraaijvanger zetten in 1928 op jonge leeftijd het bureau van hun vader voort. Evert Kraaijvanger (1899-1978) studeerde civiele techniek in Delft en was binnen het bureau vooral de organisator. Herman Kraaijvanger (1903-1981) studeerde bouwkunde aan de HTS in Utrecht en aan het Hoger Bouwkunst Onderricht in Amsterdam. Hij was verantwoordelijk voor de ontwerpen. In de jaren dertig bouwden de broers vooral woningbouwprojecten, scholen en kerken voor overwegend katholieke opdrachtgevers. Deze gebouwen kenmerken zich door een degelijke bouwstijl in de traditie van de Nederlandse baksteenarchitectuur. In en vlak na de Tweede Wereldoorlog waren de broers nauw betrokken bij de wederopbouw van Rotterdam. Evert Kraaijvanger was korte tijd wethouder van Wederopbouw en deed onderzoek naar herstel en restauratie van belangrijke, nog resterende monumenten in Rotterdam. Herman Kraaijvanger was tijdens de bezetting onder meer lid van de groep Opbouw Rotterdam (OPRO) waarin hij samen met J.H. van den Broek, W. van Tijen en P. Verhagen voorstellen deed voor verbeteringen aan het wederopbouwplan van Rotterdam. De betrokkenheid bij de wederopbouw leverde veel werk op voor het bureau. Van alle architecten die aan de herbouw van de Rotterdamse binnenstad hebben gewerkt, hebben de Kraaijvangers de meeste gebouwen ontworpen. Het Stationspostkantoor en De Doelen vormen de hoogtepunten van dit omvangrijke, Rotterdamse oeuvre. De katholieke signatuur van het bureau en zijn opdrachtgevers had een positieve invloed op de omvang van het oeuvre buiten Rotterdam. In opdracht van het katholieke Vroom & Dreesmann zijn, verspreid door heel Nederland, warenhuizen gebouwd naar ontwerp van de Kraaijvangers. Voor het Rotterdamse filiaal werd door het bureau een nieuw type plafond ontwikkeld, dat wereldwijd navolging kreeg en internationaal werd aangeduid als The Rotterdam Ceiling. De architectuur van de Kraaijvangers ontwikkelde zich na de oorlog tot een contemporaine mix, waarin een traditionele gevelopbouw en zorgvuldige ornamentiek werden gecombineerd met functionele principes en een modern materiaalgebruik. In de jaren zestig maakte de ritmiek in de gevels plaats voor een egaal, haast ongenaakbaar oppervlak, zoals bij de Bibliotheek van de Katholieke Universiteit in Nijmegen en liet gebouw van de Volkskrant in Amsterdam.

€ 21.00 Toevoegen
Willy Beunke-Meekes - Th.W. Rueter (1876-1963). Bouwen naar een levensideaal: eenvoudig, harmonieus en doelmatig

Willy Beunke-Meekes - Th.W. Rueter (1876-1963). Bouwen naar een levensideaal: eenvoudig, harmonieus en doelmatig

De architect Theodor Wilhelm Rueter, zoon van de lithograaf Georg Rueter, groeide op in een gezin waarin ambacht en kunstzin gestimuleerd werden. Zijn broers Georg en Gustaaf werden beeldend kunstenaar en meubelmaker. Ook Theo Rueter bergon als meubelmaker; hij trad echter bij de architect C.B. Posthumus Meyjes sr. in de leer. Op dit architectenbureau kwam Rueter in aanraking met de nieuwe ideeen van de tuinstadbeweging, die een sociale woonvorm bepleitte, in nauw contact met de natuur. Posthumus Meyjes bouwde het Snouck van Loosenpark in Enkhuizen, een van de eerste tuindorpen in Nederland. Andere architecten die hem beïnvloedden waren onder andere K.P.C. de Bazel en J.L.M. Lauweriks, die Rueter leerden hoe hij bij zijn ontwerpen op geometrische grondprincipes kon teruggrijpen. De theosofen De Bazel en Lauweriks meenden dat men op deze wijze tot de kern van de bouwopgave kon doordringen. Rueter was een idealistisch en eigenzinnig man, maar hij was ook op de praktijk ingesteld. In 1901 sloot hij zich aan bij de Internationale Broederschap van Christen-Anarchisten, een groep idealisten die bij Blaricum een landbouwkolonie had gesticht, waar hun ideeen door ‘eenvoudig, ootmoedig en gemeenschappelijk’ samenleven en -werken in de praktijk gebracht zouden worden. Rueter ontwierp er een aantal koloniehutten en enkele bedrijfsgebouwen. Na het uiteenvallen van de kolonie zou Rueter trouw bliiven aan de uitgangspunten die hij daar in de praktijk had gebracht: eenvoud, harmonie en doelmatigheid. Zijn leven lang zou hij vasthouden aan een ambachtelijke bouwwijze, traditionele materialen en harmonie tussen architectuur en de omringende natuur. Daarbij liet hij zich beïnvloeden door de traditionele landelijke architectuur, die hij uit het Gooi kende, maar ook zoals hij die op zijn vele reizen tegenkwam. Als ontwerper had hij het tij mee. Het Gooi ontwikkelde zich tot forensenregio en er ontstond een markt voor nieuw type woning, kleiner dan het traditionele negentiende eeuwse landhuis, maar tegemoetkomend aan eigentijdse eisen van comfort, licht, lucht en ruimte. Rueter bouwde echter ook enkele grotere landhuizen, zowel in neoclassicistische stijl als in de veel onregelmatiger Engelse landhuisstijl, waarbij de plattegronden een vrije en functionele ordening van de vertrekken tonen. Nadat Rueter teruggekeerd was van een reis door het Verre Oosten, werd hij in Nederland met het succes van de Amsterdamse School geconfronteerd. Hij zou een aantal villa’s in expressionistische stijl bouwen. De golvende rieten daken en de in elkaar overvloeiende bouwdelen geven deze huizen een beweeglijk en plastisch karakter. Daarnaast ontwierp Rueter, veelal samen met H.F. Sijmons, ook een aantal gebouwen in een meer geometrisch expressionisme, met platte daken en een dynamische ordening van in- en uitspringende rechthoekige bouwdelen, weaar geprononceerde dakoverstekken, bandvensters, loggia’s en hoog opgaande ranke schoorstenen horizontale en verticale accenten leggen. Rueter bleef echter altijd vasthouden aan zijn oorspronkelijke uitgangspunten van eenvoud, harmonie en doelmatigheid. Hij schuwde formele overdaad, van welke stijl hij zich ook bediende. Dat leidde tot een opmerkelijk consistent oeuvre, waarvoor nog steeds grote waardering bestaat.

€ 17.50 Toevoegen
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu